Parlementaire vraag nr. 982 van de heer Hatry van 27.03.1998
VRAAG 98/982
Vraag nr. 982 van de heer Hatry dd. 27.03.1998
Bull. nr. 786, pag. 2267
Vr. en Antw., Senaat, 1997-1998, nr. 1-76, blz. 3988-3989
Gemeentelijke belastingen.
VRAAG
Hoewel het er niet naar verwijst, is het Com.IB 53/48 bijna identiek met uw antwoord op de parlementaire vraag nr. 572 van 9 augustus 1990 (bulletin van Vragen en Antwoorden, Kamer, 1989-1990, nr. 128 van 2 oktober 1990, blz. 10419), gesteld door volksvertegenwoordiger Geysels.
Ik verneem dat bepaalde belastingambtenaren naar dat commentaar (en bijgevolg naar dat antwoord) verwijzen om systematisch elke, zelfs gedeeltelijke, vermindering als beroepskosten van de gemeentelijke riool- en huisvuilbelasting te weigeren voor zelfstandige belastingplichtigen, natuurlijke personen, wier gebouw een dubbele bestemming heeft, omdat die belastingen altijd verschuldigd zijn, ongeacht de bestemming van het gebouw (vooral in het geval ze volledig voor privé-doeleinden bestemd zijn) wat de persoonlijke, niet-aftrekbare aard van deze belastingen "zou aantonen".
Het volgende fictieve voorbeeld illustreert wat voorafgaat: voor zijn beroepsactiviteit en als privé-woongelegenheid, gebruikt een zelfstandige een gebouw waarvoor hij een gemeentelijke rioolbelasting van 3.000 frank betaalt (waarvan ongeveer 70 % betrekking heeft op zijn activiteit als zelfstandige) en 2.000 frank huisvuil belasting (waarvan ongeveer 50 % betrekking heeft op zijn activiteit als zelfstandige); hij brengt dus respectievelijk 2.000 en 1.000 frank als beroepskosten in, bedragen die door sommige ambtenaren worden verworpen.
Als een soortgelijke redenering wordt gevolgd, zou uw administratie naar analogie (onterecht) elke gedeeltelijke vermindering van de verkeersbelasting voor een wagen voor dubbel gebruik, van de onroerende voorheffing voor een gebouw voor dubbel gebruik, enz. moeten weigeren, onder voorwendsel dat deze belastingen altijd verschuldigd blijven in geval van het integrale privé-gebruik van deze goederen.
Ik meen dat deze personeelsleden het genoemde commentaar verkeerd interpreteren, alsook uw bovenvermeld antwoord waarop zij steunen en die duidelijk bepalen dat deze belasting als beroepskosten aftrekbaar is "voor zover ze verband houdt met de uitoefening van de
beroepswerkzaamheid", in genoemd voorbeeld namelijk 2.100 frank en 1.000 frank. Bovendien is alleen de realiteit van belang (gebouw voor dubbel gebruik); het is dus niet relevant vast te stellen of het gebouw privé-eigendom is van de persoon die de beroepskosten aftrekt en niet door hem gehuurd wordt voor zijn beroepswerkzaamheid.
1. Deelt de geachte minister mijn standpunt? Zoniet, kan hij zijn negatief antwoord motiveren door te verwijzen naar de wettelijke of reglementaire bepalingen?
2. Als mijn standpunt aanvaard wordt, moeten de personeelsleden die deze tekst verkeerd hebben geïnterpreteerd, daar dan niet op worden gewezen?
ANTWOORD
De "lokale" belastingen (gewestelijke en andere), waarvan de aftrek niet uitdrukkelijk door een of andere wettelijke bepaling is uitgesloten, zijn in principe als beroepskosten aftrekbaar op voorwaarde en in de mate dat ze betrekking hebben op de uitoefening van de beroepswerkzaamheid.
Het antwoord op de vraag of een dergelijke belasting al dan niet op de uitoefening van de beroepswerkzaamheid betrekking heeft, hangt hoofdzakelijk af van de feitelijke omstandigheden.
Het spreekt vanzelf dat de belastingen die een zuiver privé-karakter hebben niet als aftrekbare beroepskosten in de zin van artikel 49 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 kunnen worden aangemerkt.
De administratieve commentaar op het voormelde wetboek zal in die zin worden aangepast.
Vraag nr. 982 van de heer Hatry dd. 27.03.1998
Bull. nr. 786, pag. 2267
Vr. en Antw., Senaat, 1997-1998, nr. 1-76, blz. 3988-3989
Gemeentelijke belastingen.
VRAAG
Hoewel het er niet naar verwijst, is het Com.IB 53/48 bijna identiek met uw antwoord op de parlementaire vraag nr. 572 van 9 augustus 1990 (bulletin van Vragen en Antwoorden, Kamer, 1989-1990, nr. 128 van 2 oktober 1990, blz. 10419), gesteld door volksvertegenwoordiger Geysels.
Ik verneem dat bepaalde belastingambtenaren naar dat commentaar (en bijgevolg naar dat antwoord) verwijzen om systematisch elke, zelfs gedeeltelijke, vermindering als beroepskosten van de gemeentelijke riool- en huisvuilbelasting te weigeren voor zelfstandige belastingplichtigen, natuurlijke personen, wier gebouw een dubbele bestemming heeft, omdat die belastingen altijd verschuldigd zijn, ongeacht de bestemming van het gebouw (vooral in het geval ze volledig voor privé-doeleinden bestemd zijn) wat de persoonlijke, niet-aftrekbare aard van deze belastingen "zou aantonen".
Het volgende fictieve voorbeeld illustreert wat voorafgaat: voor zijn beroepsactiviteit en als privé-woongelegenheid, gebruikt een zelfstandige een gebouw waarvoor hij een gemeentelijke rioolbelasting van 3.000 frank betaalt (waarvan ongeveer 70 % betrekking heeft op zijn activiteit als zelfstandige) en 2.000 frank huisvuil belasting (waarvan ongeveer 50 % betrekking heeft op zijn activiteit als zelfstandige); hij brengt dus respectievelijk 2.000 en 1.000 frank als beroepskosten in, bedragen die door sommige ambtenaren worden verworpen.
Als een soortgelijke redenering wordt gevolgd, zou uw administratie naar analogie (onterecht) elke gedeeltelijke vermindering van de verkeersbelasting voor een wagen voor dubbel gebruik, van de onroerende voorheffing voor een gebouw voor dubbel gebruik, enz. moeten weigeren, onder voorwendsel dat deze belastingen altijd verschuldigd blijven in geval van het integrale privé-gebruik van deze goederen.
Ik meen dat deze personeelsleden het genoemde commentaar verkeerd interpreteren, alsook uw bovenvermeld antwoord waarop zij steunen en die duidelijk bepalen dat deze belasting als beroepskosten aftrekbaar is "voor zover ze verband houdt met de uitoefening van de
beroepswerkzaamheid", in genoemd voorbeeld namelijk 2.100 frank en 1.000 frank. Bovendien is alleen de realiteit van belang (gebouw voor dubbel gebruik); het is dus niet relevant vast te stellen of het gebouw privé-eigendom is van de persoon die de beroepskosten aftrekt en niet door hem gehuurd wordt voor zijn beroepswerkzaamheid.
1. Deelt de geachte minister mijn standpunt? Zoniet, kan hij zijn negatief antwoord motiveren door te verwijzen naar de wettelijke of reglementaire bepalingen?
2. Als mijn standpunt aanvaard wordt, moeten de personeelsleden die deze tekst verkeerd hebben geïnterpreteerd, daar dan niet op worden gewezen?
ANTWOORD
De "lokale" belastingen (gewestelijke en andere), waarvan de aftrek niet uitdrukkelijk door een of andere wettelijke bepaling is uitgesloten, zijn in principe als beroepskosten aftrekbaar op voorwaarde en in de mate dat ze betrekking hebben op de uitoefening van de beroepswerkzaamheid.
Het antwoord op de vraag of een dergelijke belasting al dan niet op de uitoefening van de beroepswerkzaamheid betrekking heeft, hangt hoofdzakelijk af van de feitelijke omstandigheden.
Het spreekt vanzelf dat de belastingen die een zuiver privé-karakter hebben niet als aftrekbare beroepskosten in de zin van artikel 49 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 kunnen worden aangemerkt.
De administratieve commentaar op het voormelde wetboek zal in die zin worden aangepast.
Bron: FisconetPlus
