Parlementaire vraag nr. 1979 van de heer Vincent Van Quickenborne van 26.03.2024
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2023-2024, QRVA 55/134 d.d. 24.05.2024, blz. 246
Aangifte eenmalige betaling recht van erfpacht ter verantwoording van beroepskosten (MV 4n1800C).
VRAAG (van de heer Van Quickenborne)
Deze vraag betreft de toepassing van het einde 2023 ingevoerde artikel 53, 33°, a van het WIB92 wat betreft het verwerpen als beroepskost van de huurprijs en toegekende huurvoordelen evenals de uit hoofde van een recht van opstal, een recht van erfpacht of een ander zakelijk gebruiksrecht op onroerend goed toegekende vergoedingen en voordelen wanneer de in artikel 307, § 2/2 Wetboek Inkomstenbelastingen, bedoelde verplichting voor die kosten niet is nageleefd.
1. Indien een vennootschap tegen een eenmalige betaling een recht van erfpacht verwerft, en dit over de duur van het zakelijk recht afschrijft, dient deze verantwoording dan ook plaats te vinden voor het bedrag aan de als beroepskost afgetrokken afschrijvingen?
2. Indien dit het geval is, dienen de als beroepskost afgetrokken afschrijvingen ook verantwoord te worden indien de oorspronkelijke verwerving van het zakelijk recht gebeurde bij een belastingplichtige gevestigd op het grondgebied van de gemeenschap in de zin van artikel 1, § 2, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde of in Noorwegen, IJsland of Liechtenstein, waarvoor overeenkomstig het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde of elke andere wettelijke of reglementaire bepaling toepasbaar op de belastingplichtige, een factuur of een document in de plaats ervan werd opgesteld?
ANTWOORD (van de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding)
Het beoogde aftrekverbod geldt voor de eigenlijke vergoedingen voor de vestiging of overdracht van het zakelijk gebruiksrecht en alle andere voordelen die uit hoofde ervan zijn toegekend aan de verlener ervan.
De afschrijvingen op het zakelijk gebruiksrecht kwalificeren niet als een eigenlijke vergoeding, noch als een voordeel dat is toegekend aan de verlener van het zakelijk gebruiksrecht.
De fiscaal aanvaardbare afschrijvingen op het zakelijk gebruiksrecht vallen dus niet onder dit aftrekverbod.
Hieruit mag echter niet worden besloten dat er geen bijlage bij de aangifte in de inkomstenbelastingen moet worden gevoegd.
Wanneer de houder van het zakelijk gebruiksrecht op een onroerend goed een rechtspersoon is die een aangifte in de inkomstenbelastingen moet indienen, dan moet die rechtspersoon bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen een bijlage voegen.
Die rechtspersoon moet echter geen bijlage toevoegen wanneer hij voor de vergoeding van het zakelijk gebruiksrecht beschikt over een factuur of document in de plaats ervan, opgesteld volgens de toepasselijke btw-reglementering.
