Parlementaire vraag nr. 109 van mevrouw Claes van 29.04.2008
VRAAG 08/109
Vr. en Antw., Kamer, 2007-2008, nr. 028, blz. 7168-7172
Horen en ondervragen van derden - Fiscaal getuigenverhoor - Deontologie en beroepsgeheim
VRAAG
Ter gelegenheid van grondige en gezamenlijke onderzoeken van vennootschapsdossiers worden door de belasting- en btw-ambtenaren, al dan niet behorende tot niveau A, soms ook mondelinge onderzoeken en ondervragingen bij derden ingesteld.
Uit de gemeenschappelijke controleverslagen blijkt dat, naast de zaakvoerders en bestuurders, de onderstaande natuurlijke personen eveneens kunnen worden gehoord of ondervraagd al dan niet op het adres van de maatschappelijke zetel van de onderzochte vennootschap dan wel op het privaat of op het bedrijfsadres van de gehoorde of ondervraagde derde :
a) de interne loontrekkende boekhouder al dan niet in zijn hoedanigheid van bediende bij de vennootschap (zonder mandaat om de vennootschap te vertegenwoordigen);
b) de externe zelfstandige accountant al dan niet zaakvoerder van een accountantskantoor;
c) de fiscale raadgevers en bedrijfsrevisoren (al dan niet met een geschreven mandaat);
d) de bestuurders of zaakvoerders van aanverwante vennootschappen of van verbonden ondernemingen;
e) klanten en leveranciers;
f) verhuurders van onroerende goederen;
g) familieleden en partners van de bedrijfsleiders;
h) klachtindieners die zich kenbaar hebben gemaakt, doch om discretie verzoeken.
Ter zake rijzen de volgende algemene procedurevragen.
1. Welke plichtplegingen moeten de onderzoekende fiscale ambtenaren en hun verantwoordelijke dienstoversten behorende tot de sector directe belastingen en tot de btw-sector zowel voorafgaandelijk als op het ogenblik van het verhoor of ondervraging zelf strikt naleven opdat alle toepasselijke wetgevingen, reglementeringen en deontologische voorschriften zouden worden gerespecteerd?
2. In al welke gevallen bevelen de fiscale administraties dergelijke getuigenverhoren van derden aan de onderzoekende btw en belastingambtenaren thans aan?
3. Moet van ieder getuigen- of derdenverhoor telkens een afzonderlijk onderzoeksverslag, rapport of een proces-verbaal worden opgesteld ?
4. Wat zijn de juridische gevolgen voor de getuigenissen, de belastingaanslagen en voor de opgemaakte btw-invorderingsstukken als de voorgeschreven rechtsregels niet nauwgezet en/of tijdig werden nageleefd ?
5. Mogen de beide ambtenaren en hun dienstoversten van elkanders wetgeving onderling gebruik maken bij het afnemen van zo'n fiscaal verhoor en dit zowel in de bedrijfsruimten als in de private vertrekken van alle voornoemde derden?
6. Kunt u uw algemene huidige zienswijze meedelen onder meer in het licht van de bepalingen van de artikelen 322, 325, 326, 337 en 340 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de aanverwante btw-wetgeving, het Gerechtelijk Wetboek, het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Koophandel, het Wetboek van Strafvordering, de bepalingen met betrekking tot de privacy, het beroepsgeheim en de deontologie van de federale ambtenaren en de wet van 21 februari 1985 tot hervorming van het bedrijfsrevisoraat ?
ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen, 04.08.2008)
Inzake inkomstenbelastingen
De artikelen 325 en 326 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) regelen de procedure die bij het verhoor van de getuigen is te volgen.
De procedure van getuigenverhoor heeft eerder een exceptioneel karakter : de administratie zal deze procedure aanwenden als ze werkelijk vereist is, inzonderheid als de belastingplichtige de oprechtheid of de juistheid betwist van de inlichtingen schriftelijk door derden verstrekt en wanneer een confrontatie tussen de getuige en de belastingplichtige werkelijk belang biedt.
Overeenkomstig artikel 322, eerste lid, WIB 92, kan de administratie uiteraard ook derden horen en van hen inlichtingen inzamelen buiten de procedure van het eigenlijk getuigenverhoor. Verder beletten noch de bepalingen van artikel 322, WIB 92, noch die van artikel 325, WIB 92, dat de administratie een verklaring die te haren overstaan werd afgelegd door een derde vergezeld van de belastingplichtige, als een gewone inlichting zou beschouwen (Cass., 17.9 1959, Schwarz, Pas. 1960, I, 62).
Indien in verband met een of ander van de hem gestelde vragen, de getuige zich op het beroepsgeheim beroept, wordt hiervan in het proces-verbaal melding gemaakt. Naderhand wordt eventueel de bij artikel 334, WIB 92, ingestelde procedure gevolgd.
De bepalingen van het WIB 1992 zijn van openbare orde en dienen strikt te worden toegepast. Hun niet-naleving is in voorkomend geval een procedurefout die ingevolge de verhaalmiddelen die de belastingplichtige kan inroepen, de nietigheid van het getuigenis en eventueel van de aanslag tot gevolg kan hebben.
De uitoefening van de bevoegdheden van de ambtenaren van de onderscheiden fiscale administraties, toegekend door een fiscale wetgeving, is beperkt tot de controle van de belasting die het voorwerp is van die wetgeving.
De ambtenaren van de administratie van de Ondememings- en Inkomensfiscaliteit, zijn ongeacht hun administratie van oorsprong, gemachtigd, om zonder onderscheid, de bevoegdheden toegekend aan de ambtenaren van de onderscheiden fiscale administraties uit te oefenen (artikel 95 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999).
Inzake btw
In principe is het aan de administratie om de belastingschuld aan te tonen en draagt zij de bewijslast. De belastingschuld moet worden vastgesteld op basis van feiten die bewezen moeten worden. De administratie heeft daarbij het recht om de medewerking te eisen van de belastingplichtige door bijvoorbeeld de voorlegging te vragen van bepaalde stukken, door een vraag om inlichtingen voor te leggen, door een getuigenverhoor af te nemen, enzovoort.
Op grond van artikel 62, § 1, van het Btw-Wetboek is eenieder gehouden, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem gevraagd worden, teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden na te gaan.
De gevraagde inlichtingen mogen bijgevolg zowel mondeling als schriftelijk worden verstrekt. Eenieder kan worden uitgenodigd om mondelinge inlichtingen te verschaffen.
Een voorbeeld van element die een controlerend ambtenaar toelaat zijn feitelijke vermoedens te staven, kunnen bijvoorbeeld bepaalde vaststellingen zijn gedaan bij de entourage van de belastingplichtige tengevolge van een getuigenverhoor. Inzake btw zijn er geen wettelijke vormvoorschriften om getuigen te verhoren.
In praktijk worden de verklaringen van de getuigen opgenomen in een proces-verbaal omwille van de bijzondere bewijskracht. Het proces-verbaal vormt inzake btw in hoofde van de administratie immers een bijzonder bewijsmiddel. Dit betekent dat, als de vormen inhoudelijke voorwaarden van het proces-verbaal zijn vervuld, de gegevens waaraan deze bewijskracht kan worden verbonden, voor juist worden gehouden (dit wil zeggen dat de in het proces-verbaal opgenomen getuigenis daadwerkelijk in die bewoordingen werd gedaan, doch niet noodzakelijk dat de afgelegde verklaringen met de werkelijkheid overeenstemmen). In dit geval levert het proces-verbaal het bewijs op tot het bewijs van het tegendeel.
In het Btw-Wetboek wordt geen enkele richtlijn gegeven over de vorm, noch de inhoud van een proces-verbaal. Om te gelden als proces-verbaal dat van een bijzondere bewijskracht geniet, moet het document evenwel beantwoorden aan bepaalde voorwaarden qua vorm en inhoud die worden opgelegd ingevolge administratieve richtlijnen die gepubliceerd zijn in de administratieve commentaar.
Een proces-verbaal dat niet aan de juiste vormvoorwaarden voldoet verliest zijn bijzondere bewijskracht en geldt als eenvoudige inlichting. Indien het proces-verbaal echter vaststellingen bevat die op onregelmatige wijze werden gedaan, is het evenwel absoluut nietig hetgeen impliceert dat het zelfs niet als een eenvoudige inlichting geldt.
Elk ambtenaar van een fiscale administratie, ongeacht de administratie waartoe hij behoort, kan inzake btw een proces-verbaal opstellen. De vaststellingen die worden opgenomen in een proces-verbaal bezitten alleen de bijzondere bewijskracht die wordt toegekend door de wetgeving in het kader waarin het proces-verbaal zal worden gebruikt.
Wanneer een btw-ambtenaar een vraag om inlichtingen richt aan een accountant of boekhouder die niet in zijn hoedanigheid maar als gemandateerde van de belastingplichtige handelt, wordt de vraag om inlichtingen in feite gericht aan de belastingplichtige zelf die ertoe gehouden is hetzij persoonlijk, hetzij door bemiddeling van zijn lasthebber te antwoorden. Indien de accountant echter handelt in zijn hoedanigheid, staat het hem vrij om het beroepsgeheim waartoe hij gehouden is, in te roepen wanneer hij van oordeel is dat een vraag om inlichtingen hem ertoe kan brengen om dit beroepsgeheim te overtreden. In dat geval beslist de administratie op basis van de toepasselijke rechtspraak en rechtsleer of het beroepsgeheim al dan niet geschonden wordt door het beantwoorden van de vraag.
Bron: FisconetPlus
