Parlementaire vraag nr. 218 van de heer Dirk Van der Maelen van 07.03.2013
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2012-2013, QRVA 53/108 dd. 12.04.2013, blz. 254
Milieuheffingen op de verwijdering van vaste afvalstoffen
VRAAG
Volgens de bepalingen van artikel 198, 1e lid, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zouden de milieuheffingen en de naheffingen op de verwijdering van vaste afvalstoffen, die worden geïnd door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) bij de betalende rechtspersonen, als een verworpen uitgave moeten worden aangemerkt. De wet zegt echter niet precies wie of welke rechtspersonen de als beroepskosten geboekte of betaalde milieuheffingen en bijhorigheden in hun aangiften in de vennootschapsbelasting als verworpen uitgave dienen op te nemen.
1. Welke belastingplichtigen moeten de betaalde en/of als beroepskost geboekte milieuheffingen en naheffingen volledig of gedeeltelijk in hun aangiften in de vennootschapsbelasting opnemen?
2. Dienen de door de vergunde verwerkers, overbrengers of vervoerders van specifieke afvalstoffen als heffingsschuldige geïnde en naderhand doorgestorte milieuheffingen integraal als een verworpen uitgave te worden beschouwd of, moet er om, per aanslagjaar, de verworpen uitgaven te becijferen daarentegen slechts zowel een boekhoudkundige als een fiscale "compensatie" te worden gemaakt tussen de geïnde en de aan OVAM doorgestorte milieuheffingen betreffende afvalstoffen?
3. Welk al dan niet afzonderlijk belastingregime betreffende vennootschapsbelasting ondergaan zowel de geboekte inningen als de aan OVAM uitgevoerde doorstortingen?
4. In welke mate heeft de regering en de belastingadministratie ervoor gezorgd dat iedere eventuele dubbele belasting wordt vermeden in hoofde van alle betalende vervuilers en van alle rechtspersonen onderworpen aan de vennootschapsbelasting die tussenkwamen of zich bezighielden met de verwerking van de afvalstromen binnen de zogenaamde afvalketen?
5. Op welke resultatenrekeningen (klasse 6 en 7) en/of balansrekeningen moeten zowel de geïnde sommen als de door de heffingsschuldigen doorgestorte milieuheffingen en naheffingen (verhogingen, vermeerderingen, kosten en nalatigheidsinteresten) worden geboekt of tegengeboekt en mag er naderhand eventueel een fiscale en/of een boekhoudkundige compensatie gebeuren?
6. Kunt u uw standpunt meedelen onder meer in het licht van de bepalingen van de artikelen 24, 49, 183, 185, 198, § 1, 5°, en 360 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van artikel 25, § 2, koninklijk besluit/W. Venn. en van de eventuele adviezen van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen?
ANTWOORD (van de heer Geens, Minister van Financiën)
In principe geldt de beperking van de aan derden aangerekende kosten bij de belastingplichtige die de uitgaven doet en ze in zijn beroepskosten opneemt, en niet bij diegene ten behoeve van wie de goederen of diensten worden geleverd (zelfs niet indien die kosten afzonderlijk op de factuur zijn vermeld). In de regel zal de beperking dus gelden bij de opdrachthouder of de leverancier van de goederen of diensten en niet bij de opdrachtgever of de klant voor wie de aangerekende kosten deel uitmaakt van de prijs ervan. In zoverre de door het geachte lid genoemde vergunde verwerkers, overbrengers of vervoerders van specifieke afvalstoffen inzake milieuheffingen de bedoelde ondernemingen en inrichtingen zijn, zoals bepaald in artikel 45, eerste lid van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, moeten zij worden beschouwd als de eigenlijke heffingsplichtigen. De in artikel 198, 1e lid, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) bedoelde gewestelijke belastingen, heffingen en retributies kunnen slechts ten name van dergelijke heffingsplichtigen het karakter hebben van belasting, heffing of retributie. De aan derden doorgerekende niet-aftrekbare gewestelijke belastingen, heffingen en retributies vormen een vergoeding voor een dienstverlening. Hieruit volgt dat de bedoelde milieuheffing overeenkomstig de bepalingen van artikel 198, 1e lid, 5°, WIB 92, ten name van de hiervoor vermelde heffingsplichtigen die aan de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners/ vennootschappen zijn onderworpen, in verworpen uitgaven moet worden opgenomen. Indien deze heffingsplichtigen de milieuheffing doorrekenen aan een vennootschap, dan is de door hen ontvangen vergoeding (zijnde de vergoeding van een dienstverlening) volledig belastbaar. De vennootschappen aan wie de milieuheffing wordt doorgerekend, kunnen daarentegen die doorgerekende heffing volledig als een aftrekbare beroepskost in mindering brengen. Bijgevolg is er dan ook geen sprake van een dubbele belasting. De boekhoudkundige verwerking van (de doorrekening van) deze milieuheffingen valt onder de bevoegdheid van de vice-eersteminister en minister van Economie, Consumenten en Noordzee.
