Parlementaire vraag nr. 623 van mevrouw Pieters van 14.03.2001
VRAAG 01/623
Bull. nr. 827, pag. 1664-1667
Vr. en Antw., Kamer, 2001-2002, nr. 105, blz. 12323-12325
Bijkomende kosten bij aankoop van terreinen
VRAAG
De administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit (AOIF) heeft zich (nog) niet neergelegd bij de drie gelijktijdige Cassatie-arresten die verband hielden met het fiscaal regime van de bijkomende kosten die betrekking hebben op niet-afschrijfbare gronden of terreinen.
In de praktijk gebeurt de boekhoudkundige verwerking van die bijkomende kosten meestal op één van de drie onderstaande wijzen:
A. door rechtstreekse afboeking via de algemene kosten;B. door activering van die bijkomende kosten, met onmiddellijke "gewone afschrijving" tegen 100 %;C. door activering van die bijkomende kosten, doch met een directe afboeking als uitzonderlijke "waardevermindering ".
Terzake rijzen evenwel de volgende algemene praktische vragen.
1.
a) Om welke precieze of concreet gemotiveerde redenen beschouwt de belastingadministratie de aangehaalde rechtspraak nog steeds niet als een vaste rechtspraak?b) Hoeveel rechtspraken van het Hof van Cassatie zijn normaliter vereist eer de administratie haar zienswijze wenst aan te passen?
2. Zal de AOIF-administratie op haar visie binnenkort toch nog terugkomen wanneer nieuwe gelijkaardige cassatierechtspraak zou worden geveld?
3.
a) Waarom wenst de AOIF-administratie dienaangaande evenmin rekening te houden met de dwingende bepalingen van artikel 62 WIB 1992 die het afschrijvingsritme van bijkomende kosten volledig overlaat aan de vrije keuze van de belastingplichtige?b) Van waar het arbitrair onderscheid tussen de beoogde bijkomende kosten van terreinen of gronden en alle andere bijkomende kosten op alle overige investeringen?
4. Welke bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en welke feitelijke argumenten moeten gezamenlijk bij elk van die drie voornoemde boekhoudkundige mogelijkheden door de belastingambtenaren telkens afzonderlijk worden aangehaald ter motivering van de huidige administratieve visie waarbij die drie Cassatie-arresten zonder meer terzijde worden geschoven?
In de praktijk stelt men immers vast dat de bepalingen van de artikelen 2, § 7, 24, eerste lid, 4°, 49, 52, 6°, 61, eerste en tweede lid, 62, 183 en 185 van het Wetboek van de inkomstenbelasingen 1992 inzake vennootschapsbelasting zonder enig juridisch onderscheid zomaar kriskras door elkaar worden gebruikt.
5.
a) Welk concreet verschil is er uit fiscaalrechtelijk oogpunt tussen een "afschrijving" en een al dan niet uitzonderlijke, bijkomende of bijzondere economische "waardevermindering"?b) Door welke precieze wettelijke en/of reglementaire bepalingen worden die beide administratieve begrippen in feite fiscaal volledig beheerst?
6. Kan u punt per punt uw huidige algemene praktische ziens- en handelwijze weergeven in het licht van de wettelijke bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van alle beginselen van een behoorlijk en klantvriendelijk bestuur?
ANTWOORD
Het geachte lid gelieve hierna het antwoord te vinden op de door haar gestelde vragen.
1, 2 en 4. Het naar aanleiding van een aantal ongunstige arresten van het Hof van Cassatie door de administratie ingenomen standpunt met betrekking tot de fiscale behandeling van bijkomende kosten bij de aankoop van gronden, werd uiteengezet in het antwoord dat ik heb verstrekt op de mondelinge parlementaire vraag gesteld door mevrouw de volksvertegenwoordiger Moerman (Handelingen, Kamer, zitting 2000-2001, 3 juli 2001, nr. 520, blz. 4 en 5).
3 en 5. Zoals in het antwoord op de voormelde mondelinge vraag, onder meer wordt verduidelijkt, moet bij gebrek aan een omschrijving van het begrip "aanschaffingswaarde" in het fiscaal recht er de betekenis aan worden gegeven in de boekhoud wetgeving. Het voormelde geldt eveneens ten aanzien van de begrippen "afschrijvingen" en "waardeverminderingen ", zodat de definities ervan zoals opgenomen in artikel 45 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen eveneens op het fiscale vlak van toepassing zijn.
Luidens het eerste lid van het voormelde artikel verstaat men onder het begrip "afschrijvingen" de bedragen ten laste van de resultatenrekening genomen, met betrekking tot oprichtingskosten en tot immateriële en materiële vaste activa waarvan de gebruikelijke duur beperkt is, teneinde hetzij het bedrag van deze oprichtingskosten en van de eventueel geherwaardeerde aanschaffingskosten van deze vaste activa te spreiden over hun waarschijnlijke nuttigheids- of gebruiksduur, hetzij deze kosten ten laste te nemen op het ogenblik waarop zij werden aangegaan.
Hieruit volgt dat gronden alsook de ermee verband houdende bijkomende aankoopkosten die integrerend deel uitmaken van de aanschaffingswaarde van de gronden gelet op de onbeperkte gebruiksduur ervan en als zodanig dienen te worden geactiveerd, niet mogen worden afgeschreven. Enkel waardeverminderingen kunnen geboekt worden ingeval van een duurzame ontwaarding in de zin van artikel 64, § 2, van het voormeld koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen.
Derhalve kan artikel 62, WIB 1992 met betrekking tot het afschrijvingsritme van bij de aankoop horende kosten slechts van toepassing zijn op actiefbestanddelen die op het boekhoudkundige vlak afschrijfbaar zijn.
Bron: FisconetPlus
