Parlementaire vraag nr. 367 van de heer Daems van 15.01.1993

VRAAG 93/367
Bull. nr. 727, pag. 1342
Personen ten laste - Schoolverlater - Bedrijfsvoorheffing
Artikel 136 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaald de voorwaarden waaronder een persoon als ten laste kan worden beschouwd.
Een schoolverlater begint te werken vanaf de maand oktober 1991. Zijn bezoldigingsfiche vermeldt een belastbare wedde van 85.000 Belgische frank (bedrag T). De ingehouden bedrijfsvoorheffing, waarover de belastingplichtige om redenen onafhankelijk van zijn wil niet tijdens het jaar 1991 heeft kunnen beschikken, bedraagt 5.000 Belgische frank (bedrag Z).
Bent u het met mij eens dat de werkelijke nettobestaansmiddelen van betrokkene 63.000 Belgische frank (85.000 Belgische frank - 17.000 Belgische frank (20 %) - 5.000 Belgische frank (bedrijfsvoorheffing) bedragen en hij voor het aanslagjaar 1992 als ten laste moet worden genomen.
ANTWOORD
Overeenkomstig artikel 142 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) wordt onder nettobedrag van de bestaansmiddelen verstaan, het brutobedrag daarvan verminderd met de kosten die de belastingplichtige verantwoordt gedurende het belastbare tijdperk te hebben gedaan of gedragen om die middelen te verkrijgen of te behouden.
Bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens worden de aftrekbare kosten vastgesteld op 20 % van het brutobedrag van de bestaansmiddelen. Wanneer die bestaansmiddelen bestaan in bezoldigingen van werknemers of in baten, bedragen de aftrekbare kosten ten minste 10.000 Belgische frank (artikel 142, tweede lid, WIB 1992). Na indexering wordt laatstbedoeld bedrag voor het jaar 1991 (aanslagjaar 1992) op 11.000 Belgische frank gebracht.
In de veronderstelling dat de betrokkene zijn werkelijke kosten niet verantwoordt en over geen andere bestaansmiddelen beschikt dan de in 1991 verkregen beroepsinkomsten, bedraagt het nettobedrag van de bestaansmiddelen in het door het geacht lid beoogde geval derhalve 68.000 Belgische frank, zijnde het verschil tussen het belastbare brutobedrag van de in 1991 door de schoolverlater genoten bezoldigingen (85.000 Belgische frank) en het forfait van 20 % (17.000 Belgische frank). Het aldus bekomen bedrag overtreft derhalve dat van het voor het aanslagjaar 1992 toepasselijke bedrag van de toegelaten bestaansmiddelen (64.000 Belgische frank).
Zijn zienswijze kan dan ook niet worden bijgetreden.