Parlementaire vraag nr. 1244 van mevrouw Pieters van 25.04.2006

VRAAG 06/1244
Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 122, blz. 23793-23795
De Fiscale Koerier 2006/627
Startdatum van de administratieve proceduretermijnen
VRAAG
Door toevoeging van artikel 53 bis aan het Gerechtelijk Wetboek is de gemeenrechtelijke termijnberekening grondig gewijzigd geworden.
Dit nieuw artikel is eveneens van toepassing op de gerechtelijke fase van de fiscale procedure ( cf. wet van 13 december 2005 houdende bepalingen betreffende de termijnen, het verzoekschrift op tegenspraak en de procedure van collectieve schuldenregeling - Belgisch Staatsblad van 21 december 2005).
Met deze wijziging heeft de wetgever zich voor de bepaling van de aanvangsdatum van de proceduretermijnen blijkbaar duidelijk willen schikken naar de door het Arbitragehof gehuldigde «ontvangsttheorie».
1. De algemene en pertinente vraag rijst dan ook meteen of de belasting- en BTW-administraties zich zowel in fase van onderzoek, in fase van wijzigingsprocedure als in fase van bezwaar of verzoekschrift gemakshalve voortaan op een identieke wijze zullen vasthouden aan de «ontvangsttheorie» en met andere woorden definitief zullen afstappen van de vroegere zogenaamde «verzendtheorie» ?
2. Kan u enerzijds mede in het kader van de administratieve vereenvoudiging uw huidige klantvriendelijke ziens- en handelwijze meedelen en bevestigen hoe in administratieve fase van nu af aan dient gehandeld te worden bij de beoordeling van de startdatum van de voorgeschreven proceduretermijnen en anderzijds zonodig laten weten welke initiatieven u overweegt te treffen om ter zake op eenzelfde of rechtlijnige manier te handelen ?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 15.05.2006)
Ingevolge artikel 2 van de wet van 13 december 2005 houdende bepalingen betreffende de termijnen, het verzoekschrift op tegenspraak en de procedure van collectieve schuldregeling is een nieuw artikel 53 bis ingevoegd in het Gerechtelijk Wetboek, dat als volgt luidt :
«Ten aanzien van de geadresseerde, en tenzij de wet anders bepaalt, worden de termijnen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving op een papieren drager berekend:
1° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij gerechtsbrief of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op zijn verblijfplaats of gekozen woonplaats;
2° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst.»
Deze wijziging strekt ertoe een einde te maken aan de rechtsonzekerheid die ontstaan was uit de verschillende visies van het Hof van Cassatie en van het Arbitragehof met betrekking tot de datum waarop termijnen ingaan, wanneer die beginnen te lopen na een kennisgeving. Waar het Hof van Cassatie in een arrest van 20 februari 1998 uitgaat van de zogenaamde «verzendtheorie», heeft het Arbitragehof in zijn arrest nr. 170/2003 van 17 december 2003 de «ontvangsttheorie» gehuldigd.
Wat de gerechtelijke geschillen inzake inkomstenbelastingen betreft heeft de administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit reeds bij de circulaire van 13 augustus 2004 (Ci. RH.861/563.153) geopteerd voor de ontvangsttheorie.
Het nieuwe artikel 53 bis van het Gerechtelijk Wetboek bevestigt de ontvangsttheorie en geeft bijzondere berekeningstermijnen voor het stellen van proceshandelingen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving op een papieren drager.
Artikel 53 bis van het Gerechtelijk Wetboek is dus van toepassing voor de berekening van de termijn waarbinnen een vordering in rechte kan worden ingeleid tegen aanslagen in de inkomstenbelasting (artikel 1385 undecies van het Gerechtelijk Wetboek).
Wat de vestiging van de belasting (vraag om inlichtingen, bericht van wijziging, bericht van ambtshalve aanslag) en de administratieve geschillenfase (termijn voor het indienen van een bezwaarschrift) betreft onderzoekt de administratie bij voorrang of de ontvangsttheorie eveneens kan worden toegepast.
De termijnen in deze fase van het dossier gaan immers volgens de tekst zelf van de betrokken wetsartikelen in vanaf de verzending van de vraag om inlichtingen (artike 316, WIB 1992), van het bericht van wijziging (artikel 346, derde lid, WIB 1992), het bericht van ambtshalve aanslag (artikel 351, laatste lid, WIB 1992) of het aanslagbiljet (artikel 371, WIB 1992).
Wat ten slotte de BTW betreft bestaat er geen procedure voor het georganiseerd administratief beroep zoals inzake inkomstenbelastingen. Evenmin kent de BTW antwoordtermijnen.
Indien bij niet-betaling een dwangbevel wordt uitgevaardigd door de met de invordering belaste ambtenaar, kan dat dwangbevel betekend worden bij een ter post aangetekende brief. De afgifte van het stuk ter post geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag ingevolge artikel 85, § 1, lid 2 van het Wetboek BTW.