Parlementaire vraag nr. 854 van de heer Viseur van 21.12.2001
VRAAG 01/854
Vr. en Antw., Kamer, 2001-2002, nr. 134, blz. 16829-16830
Bull. nr. 833, pag. 218-221
Overdracht van onroerende goederen - Vruchtgebruik - Belastbare meerwaarde
VRAAG
Uit een terminologisch oogpunt lijkt het vanzelfsprekend dat de term "overdracht" niet synoniem is met de term "vestiging" (van een zakelijk recht). Zo wordt het vruchtgebruik door wie de volle eigendom heeft niet aan een derde "overgedragen" maar ten voordele van een derde "gevestigd".
Daaruit kan evenwel worden afgeleid dat de op korte termijn verwezenlijkte meerwaarde op de vestiging van een vruchtgebruik op een onroerend goed bij gebrek aan enige wettelijke grondslag niet afzonderlijk belastbaar is.
De fiscale wetgeving maakt trouwens een onderscheid tussen "overdracht" en "vestiging" van een vruchtgebruik in de artikelen 7, § 1, 3°, en 442bis, § 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, en in artikel 8, §§ 2 en 3, van het BTW-Wetboek.
In artikel 101 van het WIB 1992 wordt verwezen naar artikel 54, KB/WIB 1992, waarin sprake is van de mogelijke overdracht van het vruchtgebruik van een goed waarvan de vervreemder de volle eigendom verkregen heeft. Volgens de Koning slaat artikel 90, 8° en 10°, van het WIB 1992 dus op de hypothese waarbij de meerwaarde verwezenlijkt wordt op de "vestiging" van een vruchtgebruik op een onroerend goed.
Het bewuste artikel 90, 8° en 10°, van het WIB 1992 zelf voorziet echter kennelijk niet in die hypothese.
Aangezien de op korte termijn verwezenlijkte meerwaarde op de "vestiging" van een vruchtgebruik op een onroerend goed dus niet belast wordt, kan men zich afvragen of de belasting op de meerwaarde die verwezenlijkt wordt bij de "overdracht" van een vruchtgebruik van een onroerend goed wel in overeenstemming is met de Grondwet.
Wat is uw standpunt hierover?
ANTWOORD
Het geachte lid gelieve hierna het antwoord op zijn vraag te vinden.
Artikel 90, 8° en 10°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) beoogt de meerwaarden die naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel zijn verwezenlijkt op in België gelegen gebouwde of ongebouwde onroerende goederen of op andere zakelijke rechten dan een recht van erfpacht of van opstal of dan een gelijkaardig onroerend recht met betrekking tot zulke onroerende goederen. Deze bepaling is dus inzonderheid van toepassing op de overdracht van het vruchtgebruik dat op een onroerend goed betrekking heeft.
Gelet op de algemeen gebruikte bewoording, moet het begrip "overdracht" vermeld in dit artikel, in zijn ruimste betekenis worden begrepen. Het houdt dus de afstand in aan een ander persoon van een goed of een recht waarvan men eigenaar of houder is.
Het vruchtgebruik vertegenwoordigt overigens een van de volle eigendom afgescheiden recht; de vestiging van een recht van vruchtgebruik ten voordele van een derde is een handeling waarbij de eigenaar van een goed de volle eigendom van dat goed splitst teneinde het vruchtgebruik ervan af te staan (met andere woorden over te dragen) aan een ander persoon.
De vestiging van een recht van vruchtgebruik ten voordele van een derde vormt bijgevolg een bijzonder geval van overdracht, zodat artikel 90, 8° en 10°, WIB 1992 daarop in principe van toepassing is. Het is dus terecht dat artikel 54, § 2, vierde lid, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 1992 de hypothese van de overdracht van het vruchtgebruik van een goed beoogt, ingeval de vervreemder dat goed in volle eigendom verkreeg.
Het feit dat de fiscale wetgever in de artikelen 7, § 1, 3°, en 442bis, § 1, WIB 1992, evenals in artikel 8, §§ 2 en 3, van het Wetboek van de BTW de begrippen "overdracht" en "vestiging" vermeldt, doet hieraan bovendien geen afbreuk.
Bron: FisconetPlus
