Parlementaire vraag nr. 1020 van mevrouw Pieters van 03.09.1997

VRAAG 97/1020
Bull. nr. 782, pag. 997
Vr. en Antw., Kamer, 1997-1998, nr. 104, blz. 14147-14149
Bestuurder en adviseur - BV-inning
VRAAG
De draagwijdte van het begrip bezoldigingen werd met de invoering van het begrip "bedrijfsleider", merkelijk uitgebreid. Bovendien kan de ontvanger heden ook een onderzoek naar het vermogen van de belastingplichtige voeren. De regeling kan eens te meer nefaste gevolgen hebben voor de medecontractvennootschap. Ik schets een voorbeeld.
Een ontvanger stelt in het kader van zijn uitgebreide onderzoeksbevoegdheid vast dat een zelfstandig adviseur een managementcontract met een vennootschap had waarbij hij tijdelijk belast was met het dagelijks bestuur. De inkomsten van de zelfstandige adviseur zijn als baat belast en het dossier werd onderzocht. Ook het vennootschapsdossier werd reeds onderzocht. Door omstandigheden betaalt de adviseur zijn belastingen niet en de ontvanger ziet geen mogelijkheid tot inning van de personenbelasting.
De ontvanger laat dan maar, via de taxatieambtenaar van de vennootschappen, de bedrijfsvoorheffing innen bij de vennootschap. De vestiging van de belasting gebeurt met toepassing van artikel 358, 1°, WIB 1992.
De ontvanger staaft zijn werkwijze door te stellen dat de adviseur wettelijk een bedrijfsleider was en hij als ontvanger niet de aard noch het bedrag van het inkomen wijzigt. De aard van het inkomen wordt immers door de wet vastgesteld en niet door de taxatie-ambtenaar. De ontvanger voert aan dat door een verkeerde kwalificatie van de inkomsten een deel van het vermogen door de vennootschap verkeerd werd gealloceerd.
1. Voert de ontvanger hier een onderzoek naar de inkomsten of naar het vermogen van de adviseur?
2. Kan de vennootschap zich beroepen op het gegeven dat de taxatie-ambtenaren de inkomsten als baat hebben aanvaard en belast en de dossiers werden onderzocht, om te ontsnappen aan de betaling van de bedrijfsvoorheffing?
3. Over welk middel beschikt de vennootschap om vast te stellen dat het initiatief tot inning van de bedrijfsvoorheffing, genomen werd door de ontvanger?
ANTWOORD
Het geacht lid gelieve hierna het antwoord op de door haar gestelde vragen te willen vinden.
Artikel 319bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, van toepassing sinds 1 januari 1997, kent aan de met de invordering belaste ambtenaren alle in vermeld wetboek bepaalde onderzoeksbevoegdheden toe ten einde de vermogenstoestand van de schuldenaar te bepalen dienstig voor de invordering van de belasting en de voorheffingen verschuldigd in hoofdsom en opcentiemen, van de belastingverhogingen en administratieve boeten, van de interesten en van de kosten.
Het gaat in casu om een onderzoeksbevoegdheid die beperkt is tot het bepalen van de vermogenstoestand van een schuldenaar van een fiscale schuld met het oog op de invordering ervan en die de met de invordering belaste ambtenaar die er gebruik van maakt dus geenszins toelaat eigenmachtig de door de wet vastgelegde kwalificatie van inkomsten te wijzigen. Het is echter niet uitgesloten dat deze ambtenaar elke vaststelling die tot een eventuele herkwalificatie van toegekende inkomsten kan leiden aan zijn voor de taxatie bevoegde collega mededeelt.
In verband met het voorbeeld dat het geacht lid in haar vraag schetst, wil ik haar aandacht erop vestigen dat de nieuwe categorie "bedrijfsleiders" werd ingevoerd met de artikelen 4 tot 7, 9 tot 12, 22, 23, 30, 42, 44 tot 46 en 48 van het koninklijk besluit van 20 december 1996 houdende diverse fiscale maatregelen, met toepassing van de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 2° en 3°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie (Belgiscb Staatsblad van 31 december 1996, vierde editie). Die artikelen treden in werking met ingang van het aanslagjaar 1998 (zie artikel 49, eerste lid, van voormeld koninklijk besluit). In die omstandigheden kan voormeld voorbeeld zich nog niet hebben voorgedaan.