Parlementaire vraag nr. 1362 van mevrouw Pieters van 11.07.2006

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2005-2006, QRVA 51/136 d.d. 25.09.2006, blz. 26667

Uitbetaling van uitkeringen groepsverzekering in het buitenland - Belastbaarheid in hoofde van niet-inwoners - Verschuldigde voorheffingen, taksen en bijdragen - Onderwerping aan de RSZ

VRAAG

Het valt af en toe voor dat Belgische rijksinwoners (werknemers en bedrijfsleiders) vóór hunpensioengerechtigde leeftijd reeds definitief vertrekken naar het buitenland (vooral naar Frankrijk, Spanje en Nederland) en aldaar gedomicilieerd worden.

Voor rijksinwoners zijn de uitkeringenvan aanvullende pensioenen zowel toegekend vóór als na de leeftijd van zestig jaar, uit hoofde van een groepsverzekering afgesloten door hun vennootschappen werkgeefsters in principe (afzonderlijk) belastbaar in de personenbelasting en eveneens onderhevig aan een welbepaalde RSZ-bijdrage.

1. De algemene praktische vraag rijst echter enerzijds in welke precieze mate die uitkeringen van groepsverzekeringen toegekend of uitbetaald in het buitenland aan"niet-inwoners" (gewezen Belgen) in België geheel of gedeeltelijk belastbaar of vrijgesteld zijn en/of tevenso nderworpen zijn aan bepaalde voorheffingen en RSZ-bijdragen, enanderzijds aan welke specifieke nationale en internationale betalingsmodaliteiten en verzekeringstaksen of bijdragen deze allemaal onderhevig zijn?

2. Kunt u terzake voor elk van de drie voornoemde Europese lidstaten uw algemene ziens- en handelwijze meedelen zowel onder meer in het licht van de bepalingen van de artikelen 1, 171, 228, 229, 249 en 276 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, de dubbelbelastingverdragen, de Wet op de Aanvullende Pensioenen (WAP), de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie [...], de sociale wetgeving en alleermee verband houdende grensoverschrijdende en internationale verdragen en Europese richtlijnen?

ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën,18.09.2006)

Ik kan het geachte lid meedelen dat België zowel met Frankrijk, Nederland als Spanje een dubbelbelastingverdrag heeft gesloten. Deze verdragen zorgen ervoordat een aanvullend pensioen niet tweemaal (zowel in de bronstaat als in de woonstaat) wordt belast. Alvorens de draagwijdte van de betrokken regels van het intern recht uiteen te zetten, worden hierna de toepasselijke dubbelbelastingverdragen besproken.

I. Verdragsrecht

Algemeen

Uitkeringen van kapitalen en afkoopwaarden van een groepsverzekering afgesloten door de werkgever vallen in beginsel onder de toepassing van het pensioenartikel (doorgaans artikel 18) op voorwaarde dat het pensioenartikel de volgende bepaling omvat "pensioenen en andere soortgelijke beloningen".

In het uitzonderlijk geval dat de uitkering van een groepsverzekering gebeurt in de vorm van periodieke betalingen, vallen deze periodieke betalingen onder de toepassing van het pensioenartikel.

Frankrijk

Vermits in artikel 12 van het Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag van 10 maart 1964 enkel wordt verwezen naar pensioenen en niet naar "andere soortgelijke beloningen" zal artikel 18 (restartikel) van dit verdrag van toepassing zijn op uitkeringen van kapitalen en afkoopwaarden van een groepsverzekering die een inwoner van Frankrijk verkrijgt uit Belgische bron. Voormeld artikel voorziet in een belastingheffingin de woonstaat van de genieter van het inkomen, wat betekent dat de heffingsbevoegdheid in dit geval toekomt aan Frankrijk.

Indien de uitkering van de groepsverzekering aan een inwoner van Frankrijk gebeurt door middel van periodieke betalingen, zal artikel 12 van het Belgisch Frans dubbelbelastingverdrag van toepassing zijn. In dat geval komt de heffingsbevoegdheid echter eveneens toe aan Frankrijk, zijnde de woonstaat van de genieter.

Nederland

Overeenkomstig artikel 18, § 1, a), van de op 5 juni 2001 tussen België en Nederland gesloten overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting zijn pensioenenen andere soortgelijke beloningen betaald aan een inwoner van een verdragsluitende Staat ter zake van een vroegere dienstbetrekking, alsmede lijfrenten en uitkeringen - al dan niet periodiek - uit pensioensparen, pensioenfondsen en groepsverzekeringen betaald aan een inwoner van een verdragsluitende Staat, slechts in die Staat belastbaar. Met andere woorden, de heffingsbevoegdheid over uitkeringen die voortkomen van een groepsverzekering en dewelke een Nederlandse rijksinwoner zou verkrijgen komt in principe toe aan de woonstaat, zijnde Nederland.

Naast deze woonstaatheffing op grond van artikel 18, § 1, van voornoemd verdrag voorzien artikel 18, §2, en artikel 18, § 3, van dit verdrag in een mogelijke bronstaatheffing.

Artikel 18, § 2, van voornoemd verdrag wijst de heffingsbevoegdheid met betrekking tot uitkeringen van groepsverzekeringen toe aan de bronstaat, in casu België, indien de hierna volgende drie voorwaarden cumulatief zijn vervuld:

  1. bij de opbouw van het pensioen is in de bronstaat fiscale faciliëring (in hoofde van de werknemer) toegestaan;
  2. in de woonstaat van de genieter worden de inkomsten niet belast tegen het algemeen van toepassing zijnde belastingtarief, of he tbruto-bedrag van de inkomsten wordt voor minder dan 90% in de belastingheffing betrokken;
  3. het totale brutobedrag van de inkomsten die in de bronstaat belastbaar zouden zijn op grond van artikel 18, § 2 van het verdrag bedraagt in het desbetreffend kalenderjaar meer dan 25 000euro.

Vermits Nederland in de huidige stand van zaken dergelijke uitkeringen steeds aan het progressief tarief belast zal artikel 18, § 2, van het verdrag momenteel geen toepassing vinden op uitkeringen van een groepsverzekering.

Artikel 18, § 3, van het verdrag voorziet in een mogelijkheid van een bronstaatheffing indien uitkeringen van groepsverzekeringen worden uitbetaald vóór pensioendatum. Als bijzondere voorwaarde voor toepassing van deze paragraaf is gesteld dat de inkomstenbestanddelen een a-periodiek karakter moeten hebben. In casu betekent dit dat de éénmalige kapitaalsuitkering die zou uitbetaald worden vóór pensioendatum belastbaar is in België.

Spanje

Wanneer België of een land waarmee België een verdrag heeft gesloten van mening is dat kapitalen e nafkoopwaarden van een groepsverzekering voor de toepassing van een specifiek verdrag onder artikel 21 (restartikel) van dat dubbelbelastingverdrag vallen, kunnen de verdragsluitende Staten door middel van een overlegprocedure voorzien in artikel 25 van het dubbelbelastingverdrag komen tot een uniforme toepassing van bepaalde verdragsclausules.

Een dergelijke procedure is momenteel hangende tussen België en Spanje.

Het is mogelijk dat het resultaat vandeze overlegprocedure zal leiden tot een andere oplossing dan dezedie hierboven onder de hoofding algemeen werd gegeven en die normaal gezien ook voor Spanje van toepassing zou zijn.

II. Intern recht

Directe belastingen

In principe wordt, wanneer de in artikel 34 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB1992) vermelde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden worden betaald of toegekend aan een belastingplichtige die zijn woonplaats of de zetel van zijn fortuin vooraf naar het buitenland heeft overgebracht, de betaling of toekenning krachtens artikel 364bisWIB 1992 geacht daags voor de overbrengst te hebben plaatsgehad.

Voormeld artikel 364bis WIB 1992 wordt in de praktijk evenwel niet meer toegepast wanneer de verkrijger van een pensioenkapitaal een woonplaatsattest bezorgt dat uitgaatvan de fiscale autoriteiten van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, waaronder dus de door het geachte lid geviseerde landen: Frankrijk, Nederland en Spanje, evenals van een staat waarmee België een overeenkomst ter vermijding van dubbele belasting heeft gesloten indien deze de exclusieve heffingsbevoegdheid aan de woonstaat toekent.

Ik ben zo vrij ter zake te verwijzen naar het antwoord op de mondelinge parlementaire vragen nr. 2739van 4 mei 2004 gesteld door Volksvertegenwoordiger Carl Devlies (CRIV 51 COM 248, blz. 17 tot 19) en nr. 8024 van 18 oktober 2005 gesteld door volksvertegenwoordiger Jacques Chabot (CRIV 51 COM 706, blz. 17 tot 19).

In hoofde van belastingplichtigen die geen dergelijk woonplaatsattest kunnen voorleggen, zal België volgens de ter zake vigerende wettelijke en reglementairebepalingen van het interne Belgische recht belasting heffen.

Indirecte belastingen

De premies die worden betaald voor de vorming van een aanvullend pensioen in het kader van de zogenaamde tweede pensioenpijler, door middel van groepsverzekeringen of via pensioeninstellingen, worden onderworpen aan de jaarlijkse taks op de verzekeringsverrichtingen wanneer het risico van de verzekeringsverrichting in België ligt. Het risico van de verzekeringsverrichting wordt geacht in België gelegen te zijn indien de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats in België heeft, of, indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is, indien de vestiging van deze rechtspersoon waarop de overeenkomst betrekking heeft zich in België bevindt. (Titel XII van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen - afgekort WZGT). Het basistarief van deze taks bedraagt 9,25%, maar op de groepsverzekeringen en pensioentoezeggingen is het verlaagd tarief van 4,40% van toepassing (artikel 1751, §§ 1 en 2, WZGT).

Dit tarief is onder meer van toepassing op:

  • pensioentoezeggingen die worden uitgevoerd door de verzekeringsondernemingen;
  • pensioentoezeggingen die worden uitgevoerd door de zogenaamde voorzorgsinstellingen;
  • de individuele voortzetting van pensioentoezeggingen als bedoeld in artikel 33 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenenen van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid;
  • de pensioentoezeggingen begrepen in de plannen die worden uitgevoerd door de verzekeringsondernemingen en door de voorzorgsinstellingen, doch dit onder strikte voorwaarden.

Indien het gaat om een aanvullend pensioen van de tweede pijler, is er een vrijstelling van de taks voorzien voor de sociale pensioenstelsels, zijnde depensioenvoorzieningen die gekoppeld worden aan een solidariteitstoezegging, en dit onder strikte voorwaarden (artikel 1762 eerste lid, 4°bis, WZGT) en voor de aanvullende pensioenen die worden gevormd in het kader van het aanvullend pensioen voor zelfstandigen (artikel 1762, eerste lid, 4°ter, WZGT).

De pensioenen die gevormd worden binnen het kader van de tweede pensioenpijler zijn eveneens onderworpen aan de jaarlijkse taks op de winstdeelnemingen (artikelen 183bis en volgende van het WZGT). Het tarief van deze taks bedraagt 9,25% en wordt geheven op de winstdeelnemingen die door verzekeringsondernemingen en pensioeninstellingen worden verdeeld in het kader van:

  • individuele levensverzekeringen en groepsverzekeringen met inbegrip van de bedrijfsleiderverzekeringen aangegaan bij een verzekeringsonderneming;
  • verbintenissen aangegaan bij een pensioeninstelling;
  • de individuele voortzetting van een pensioenstelsel

en

  • contracten van lijfrente of tijdelijke renten die worden gesloten met een verzekeringsonderneming.

Het betreft hier dus zowel tweede als derde pijlerverrichtingen. Er wordt enkel een vrijstelling verleend indien het enerzijds gaat om spaarverzekeringscontracten of anderzijds om verzekeringscontracten waarvoor de verzekeringnemer geen vrijstelling, vermindering of aftrek inzake inkomstenbelastingen (krachtens bepalingen van toepassing vóór het aanslagjaar 1993) of geen belastingverminderingen inzake inkomstenbelastingen (artikelen 1451, 2°, 3° of 5° en 145, 1° of 2°WIB 1992) heeft genoten (artikel 183quinquies WZGT). De pendant vande taks op de winstdeelnemingen is te vinden in artikel 40 WIB1992.

Uw vraag betreffende andere bijdragen waaraan groepsverzekeringen onderworpen kunnen zijn valt onder de bevoegdheid van mijn collega Rudy Demotte, minister van SocialeZaken. (Vraag nr. 501 van 11 juli 2006.)