Parlementaire vraag nr. 1460 van mevrouw Pieters van 09.11.2006

VRAAG 06/1460
Vr. en Antw., Kamer, 2006-2007, nr. 152, blz. 29463-29465
Onderzoeks- en wijzigingsprocedure - Directe belastingen
VRAAG
Ter gelegenheid van het onderzoek van belastingdossiers wordt in de praktijk vastgesteld dat sommige inspecteurs in de berichten van wijziging van aangifte (drukwerken 279) en/of in de kennisgevingen van aanslag van ambtswege (drukwerken 279E) tezelfdertijd ook vragen stellen die al dan niet betrekking hebben op de gewijzigde punten.
Ter zake rijst de algemene en procedurele vraag of in één en hetzelfde administratief computerdocument de wettelijke bepalingen van de artikelen 346 en/of 351 WIB 1992 (met andere woorden de aanslagprocedure) gemakshalve zomaar meteen gelijktijdig mogen worden gecombineerd met de toepassing van artikel 316 WIB 1992 (met andere woorden onderzoek en controle).
1. Moet het instellen van onderzoeks- en controledaden niet steeds voorafgaan aan de wijzigings- en aanslagprocedure?
2. Moet de wijzigings- of aanslagprocedure op een gemotiveerde en wettelijke wijze gebeuren, rekening houdende met de eerst rechtsgeldig ingewonnen inlichtingen en/of met elementen die reeds in het tijdig aangifteformulier vervat waren ?
3. Kunnen loutere gelijktijdige vraagstellingen met betrekking tot de in meer voorgestelde belastbare bestanddelen in een bericht 279 of een kennisgeving 279E als een rechtsgeldige motivering worden beschouwd en gaat het hier niet veeleer om een verboden en onbillijke omkering van de bewijslast en/of om een negatieve bewijsvoering ?
4. Is een aanslag in de personenbelasting of in de vennootschapsbelasting die na een dergelijke simultane gecombineerde werkwijze werd ingekohierd wettelijk gevestigd en niet eerder als willekeurig of als nietig aan te merken ?
5. Kunt u punt per punt uw huidige algemene klantvriendelijke ziens- en handelwijze meedelen onder meer in het licht van de bepalingen van de artikelen 316, 339, 340, 346 en 351 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 als in het kader van de beginselen van behoorlijk bestuur en van de nieuwe fiscale cultuur ?
ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Financiën, 30.01.2007)
Overeenkomstig artikel 346 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) dient de belastingplichtige, bij een ter post aangetekende brief in kennis te worden gesteld van de inkomsten en andere gegevens die de administratieve voornemens is in de plaats te stellen van die welke zijn aangegeven of schriftelijk erkend alsook van de redenen die naar haar oordeel de wijziging rechtvaardigen.
Ook wanneer de taxatieambtenaar een aanslag van ambtswege vestigt, dient hij, voor de aanslag wordt gevestigd, de belastingplichtige, overeenkomstig artikel 351, WIB 1992, hiervan in kennis stellen bij een ter post aangetekende brief waarin de redenen van het gebruik van de procedure vermeld staan, het bedrag van de inkomsten en andere gegevens waarop de aanslag zal steunen, evenals de wijze waarop die inkomsten en gegevens zijn vastgesteld.
Noch het gebruik van één van beide aanslagprocedures, noch het feit dat de aangifte van de belastingplichtige reeds werd aangenomen en de desbetreffende belastingen werden betaald, vormen een wettelijk beletsel tot het stellen van verdere onderzoeksdaden, waaronder het inwinnen van inlichtingen, tijdens de onderzoeksperioden bepaald in artikel 333, WIB 1992.
Omtrent het in uw vraag geschetste geval is het op basis van de medegedeelde gegevens niet mogelijk te oordelen over de wettelijkheid van de eventueel gevestigde aanslagen. Indien het geachte lid een specifiek geval beoogt en mij de nodige identificatiegegevens worden medegedeeld, ben ik bereid een onderzoek te doen instellen.