Parlementaire vraag nr. 1480 van de heer Dupré van 27.03.1995

VRAAG 95/1480

Vraag nr. 1480 van de heer Dupré dd. 27.03.1995


Bull. nr. 754, pag. 3019

Vrijgestelde inkomsten - Vrijgestelde waardeverminderingen - Vordering op failliete onderneming

Op grond van artikel 48 WIB 92 kunnen ondernemingen die schuldvorderingen hebben waarvan de invordering twijfelachtig is, onder bepaalde voorwaarden en binnen bepaalde grenzen op deze vorderingen een waardevermindering toepassen die vrijgesteld is van belasting. Geboekte waardeverminderingen op vorderingen op failliete ondernemingen kunnen onbegrensd worden vrijgesteld in de mate dat ze tijdens het boekjaar als waarschijnlijk verloren kunnen worden beschouwd. Een onderneming past in een eerste belastbaar tijdperk op een twijfelachtige vordering een waardevermindering toe, die hoger is dan de in artikel 22 KB/WIB 92 bepaalde grenzen en dus gedeeltelijk als belaste reserve wordt aangezien.

Als de schuldenaar in een tweede belastbaar tijdperk failliet wordt verklaard en de vordering als waarschijnlijk verloren kan worden beschouwd, mag de in het vorige belastbare tijdperk aangelegde en belaste waardevermindering dan als onbegrensd belastingvrij worden beschouwd, zodat de eerder belaste reserve terug tot nul wordt herleid, of moet gewacht worden tot op het ogenblik van de definitieve oninbaarheid van de vordering ?

ANTWOORD

De geboekte waardeverminderingen voor waarschijnlijke verliezen op dubieuze schuldvorderingen die voldoen aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 22, § 1, 1° tot 4° van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, en die als belastbare reserves werden beschouwd omdat zij de in § 1, 5° en 6° of § 2 van dat artikel 22, bedoelde grenzen overschreden, kunnen slechts uit de winst van de betrokken onderneming worden gesloten wanneer vaststaat dat die waardevermindering werkelijk overeenstemt met een zeker en vaststaand verlies.

Het verlies van een schuldvordering naar aanleiding van een faillissement is in principe slechts als zeker en vaststaand aan te merken op het tijdstip van de afsluiting van de vereffening van het faillissement.

Indien de schuldeiser evenwel in het bezit is van een arrest van de curator waaruit blijkt dat het bedrag van de schuldvordering als volledig verloren is aan te merken, wordt het verlies geacht vast te staan vanaf het tijdstip van uitreiking van dat attest. Dit attest moet duidelijk worden geïndividualiseerd, m.a.w. het moet een welbepaalde schuldvordering vermelden waarvan bij de vereffening niet de minste betaling kan worden verkregen. Een door de curator uitgereikt attest waarin bijvoorbeeld wordt vermeld dat het actief geen enkele uitkering aan de chirographaire schuldeisers toelaat, kan daarentegen niet als voldoende worden aangemerkt.