Parlementaire vraag nr. 19946 van de heer Georges Gilkinet van 06.11.2013
Mondelinge parlementaire vraag nr. 19946 van de heer Georges Gilkinet dd. 06.11.2013
Kamer, Integraal verslag - Commissie voor de Financiën, 2013-2014, CRIV 53 COM 845 dd. 06.11.2013, blz. 12
Veroordeling van België wegens discriminatie op het stuk van roerende voorheffing
VRAAG (van de heer Gilkinet)
Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde in 2012 dat de Belgische regeling inzake de roerende voorheffing voor beleggingsvennootschappen discriminatoir is, omdat de voorheffing voor in België gevestigde vennootschappen verrekend en terugbetaald kan worden, maar voor buitenlandse vennootschappen niet. Inmiddels mogen de beleggingsvennootschappen de voorheffing niet langer verrekenen met de dividenden, maar ze kunnen nog wel de na 1 januari 2007 aan de bron geheven voorheffing terugvorderen. Bevestigt u de strekking van het arrest van het Hof van Justitie ? Welke maatregelen werden er genomen ? Over welke middelen beschikt de overheid om die verplichting tot terugbetaling te ontlopen ? Werden ze aangewend ? Kunt u een raming geven van het bedrag dat met de betwistingen gemoeid is ? Hoeveel vennootschappen hebben er reeds een bezwaarschrift ingediend ? Binnen welke termijn zal dit dossier worden geregeld ?
ANTWOORD (van de heer Bogaert, Staatssecretaris)
De wet van 30 juli 2013 maakt een einde aan de discriminatie tussen Belgische en buitenlandse beleggingsvennootschappen vanaf het belastingjaar 2014. De behandeling van de geschillen wordt geregeld bij administratieve omzendbrieven van 4 maart en 13 juni 2013. Het ingediende bezwaarschrift is gegrond wanneer de vennootschap kan aantonen dat ze een gereglementeerde beleggingsvennootschap is én dat er voor het teruggevorderde bedrag geen verrekening of terugbetaling mogelijk is in het buitenland. Er moet hierbij rekening worden gehouden met artikelen 281 en 282 van het WIB 1992, waarin de voorwaarden voor de verrekening met de aan de bron geheven vennootschapsbelasting vastgesteld worden. Voor 2013 en 2014 werd er 50 miljoen euro uitgetrokken voor de terugbetalingen. Voordien werden de kosten van de geschillen verrekend in het jaar waarin de uitspraak werd gedaan, maar Eurostat heeft geoordeeld dat die kosten verrekend moeten worden op het moment dat er voldoende zekerheid bestaat ten aanzien van de omvang ervan. Het is momenteel nog onzeker hoe hoog het totaalbedrag van de terugbetalingen zal uitvallen en het is niet mogelijk een precieze datum op te geven voor de afwikkeling van het dossier.
CONCLUSIE (van de heer Gilkinet)
Op een gegeven moment zal men de rekening moeten maken en zich afvragen waarom dat probleem, dat de schatkist handenvol geld kost, pas na zoveel tijd werd verholpen.
