Parlementaire vraag nr. 78 van de heer Dieter Vanbesien van 12.11.2020
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2020-2021, QRVA 55/035 d.d. 18.01.2021, blz. 149
Belastingfraude en -ontwijking inzake roerende voorheffing (MV 7012C)..
VRAAG (van de heer Vanbesien)
Met de publicatie van de Cum-Ex-files in oktober 2018 - waaruit bleek dat aan verschillende Europese belastingdiensten tussen 2001 en 2016 op zijn minst 55,2 miljard euro ontfutseld werd - werd ook in België de fraude in het kader van de terugbetaling van roerende voorheffing van dividenden onderwerp van debat. Eén van uw voorgangers stelde toen niet alleen dat de staatskas voor minstens 201 miljoen euro was opgelicht, maar ook dat een totaal van 782 miljoen euro aan nog uitstaande terugbetalingen "kon worden geblokkeerd en verworpen". De toenmalige minister verduidelijkte bij de parlementaire bespreking van het wetsontwerp houdende maatregelen van bestrijding van de belastingfraude en -ontwijking inzake roerende voorheffing in december 2018 dat het hierbij ging om 322,2 miljoen in 2015, 172,49 miljoen in 2016 en 287,51 miljoen in 2017.
In antwoord op mijn recente vraag werd bevestigd dat de Bijzondere Belastinginspectie in 2016 de blokkering heeft gevraagd van 172,49 miljoen euro roerende voorheffing aan buitenlandse entiteiten. In 2017 zou het echter slechts om een blokkering van 5 miljoen euro zijn gegaan, een zeer aanzienlijk verschil met het eerder gecommuniceerde cijfer.
1. Hoe verklaart zich het zeer grote verschil tussen de 287 miljoen dan wel 5 miljoen "geblokkeerde en verworpen" terugbetalingen in 2017? Wat is het correcte bedrag?
2. Werden in 2018 en 2019 geen aanvragen geblokkeerd en verworpen? Indien dit wel het geval was, om welke bedragen ging het hier? Indien dit inderdaad niet het geval was, wat is hiervoor de reden?
3. Na de Cum-Ex-files zou het team binnen de FOD dat de re-claims bekijkt (de terugvordering van roerende voorheffing in het kader van de dubbelbelastingverdragen) versterkt worden en blijven. Wat is de evolutie in
voltijdequivalenten van dit team tussen september 2018 en heden?
4. Op 5 december 2018 verklaarde één van uw voorgangers dat de officiële geschatte jaarlijkse opbrengst van 40 miljoen euro (zowel voor 2018 als voor 2019) van de wet ter bestrijding van de belastingfraude en -ontwijking inzake roerende voorheffing "een bijzonder voorzichtige inschatting" zou zijn. Wat is de eigenlijke opbrengst geweest in 2018 en 2019, en op welke basis wordt deze opbrengst berekend?
5. Hoeveel pensioenfondsen hebben op basis van de door deze wet gewijzigde artikel 266, vierde lid en 281/1 van het WIB 92 gepoogd het vermoeden te weerleggen dat het bij de effecten die zij voor minder dan 60 dagen in volle eigendom hebben aangehouden om een kunstmatige handeling of een kunstmatig geheel van handeling gaat? Hoeveel van deze weerleggingen zijn door de belastingadministratie aanvaard?
6. Voor welke bedragen en voor hoeveel verschillende verkrijgers werd op basis van het door voornoemde wet gewijzigde artikel 262, 4° WIB 92 besloten dat er roerende voorheffing verschuldigd was?
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
1. Tussen 2012 en 2015, was België het slachtoffer van fraude inzake terugbetalingen van roerende voorheffing voor in totaal 201 miljoen euro aan terugbetalingen. Gelukkig kon ook 782 miljoen euro geblokkeerd worden.
2. In 2018 en 2019 werd dergelijke fraude inderdaad niet meer vastgesteld.
3. In september 2018 werkten 6,6 voltijdequivalenten (VTE) in de betreffende dienst. Momenteel beschikt deze dienst over 16,8 VTE's.
4. Ter zake worden geen afzonderlijke, specifieke gegevens geboekt op vlak van de inning van de ontvangsten aan roerende voorheffing voortspruitend uit de fiscale fraude. De bedragen die geïnd worden ingevolge de strijd tegen de fiscale fraude zijn gezamenlijk met de spontane betalingen aan roerende voorheffing opgenomen in de begrotingscijfers.
5. Het wettelijke vermoeden in kwestie is van toepassing vanaf het inkomstenjaar 2019. Buitenlandse pensioenfondsen moeten de terugbetaling van de roerende voorheffing aanvragen via de bezwaarprocedure. Een dergelijke aanvraag moet binnen de vijf jaar worden ingediend. Gezien deze brede termijn zijn er op dit moment weinig betwistingen over de in deze vraag genoemde situatie. Bij het onderzoek van deze aanvragen analyseert de bevoegde dienst systematisch de aan- en verkoopgeschiedenis van de Belgische aandelen die door deze fondsen worden bewaard. Tot op heden is de termijn van 60 dagen zeer zelden besproken en is het vermoeden in geen enkel geval weerlegd.
6. Het niveau van details van een aangifte in de roerende voorheffing maakt het niet mogelijk de gevallen te identificeren waarop de vraag betrekking heeft.
