Parlementaire vraag nr. 75 van mevrouw Valérie Taeldeman van 15.11.2016
Vlaams parlement, Schriftelijke vragen, 2016-2017, websitepublicatie dd. 13.01.2017
Onroerende voorheffing - Vermindering bij co-ouderschap
VRAAG (van mevrouw Taeldeman)
Wanneer een koppel gescheiden is, rijst de vraag welke ouder nog recht heeft op de fiscale voordelen voor kinderen ten laste. In het geval van co-ouderschap, wanneer de kinderen dus bij beide ouders even lang verblijven, is erin voorzien dat het fiscale voordeel verdeeld wordt over beide ouders. Voorwaarden hiervoor zijn co-ouderschap en het feit dat die situatie bekrachtigd of bevolen is door de rechter. Men noemt dit het fiscale co-ouderschap.
Wat de vermindering op de onroerende voorheffing betreft, is in een korting voorzien die gebaseerd wordt op het aantal kinderen. Dat voordeel wordt slechts aan één ouder toegekend. In dit geval wordt het principe van het fiscale co-ouderschap dus niet toegepast.
In het Waalse Gewest zou dit wel het geval zijn.
1. Kan de minister toelichten wat de reden is van het niet toepassen van het fiscale co-ouderschap op de verminderingsregeling op de onroerende voorheffing?
2. Wat is de beleidsvisie van de minister inzake het al dan niet toepassen van het fiscale co-ouderschap op de vermindering op de onroerende voorheffing?
3. Plant de minister in dezen concrete stappen? Zo ja, welke en op welke termijn? Zo neen, wat is hiervoor zijn motivering?
4. Kunnen gescheiden koppels die fiscaal co-ouderschap toepassen en waarbij slechts één van de ouders de vermindering op de onroerende voorheffing toegekend krijgt, stappen ondernemen om dit aan te passen/recht te zetten (zodat beide ouders de (gedeeltelijke) vermindering op de onroerende voorheffing toegekend krijgen)? Zo ja, welke en tot wie moeten ze zich hiervoor richten? Kan dit rechtgezet worden met terugwerkende kracht? Zo neen, wat is hier de reden en motivering voor?
ANTWOORD (van de heer Tommelein)
1. Vooreerst wens ik nogmaals op te merken dat ik de nieuwe samenlevingssituaties en de problematiek van het co-ouderschap onderken, en dat ik samen met vele anderen een fiscale en operationeel uitvoerbare oplossing tegemoet kijk.
Dat de vermindering van onroerende voorheffing momenteel niet in aanmerking komt voor verrekening tussen de ouders van gemeenschappelijke kinderen die om welke reden dan ook niet meer samenleven en dus niet langer gezamenlijk belast worden, en die de huisvesting van kinderen gelijkmatig onder elkaar verdelen, is een gevolg van de huidige wetgeving. De Vlaamse Codex Fiscaliteit bepaalt immers in artikel 2.1.5.0.1, §1, 2° dat de vermindering wordt toegekend voor de woning waar op 1 januari van het aanslagjaar minimum twee kinderbijslaggerechtigde kinderen gedomicilieerd zijn in het bevolkingsregister. Iemand kan echter maar op één plaats gedomicilieerd zijn. In het Waalse Gewest daarentegen wordt de vermindering toegekend “voor elk kind ten laste onderworpen aan het gezamenlijk ouderlijk gezag waarvan de huisvesting gelijkmatig is verdeeld over de beide belastingplichtigen” (art. 257, 3° van het WIB92 (Waals Gewest)). De belastingvermindering is in het Vlaamse Gewest dus intrinsiek verbonden met een specifiek onroerend goed én met de domiciliëring van het kind in dit goed terwijl in het Waalse Gewest het ten laste zijn van het kind het criterium is.
2-3.We zullen op korte termijn onderzoeken in welke mate een aanpassing naar het voorbeeld van het Waalse Gewest mogelijk is, zowel op juridisch als uitvoerend vlak. Naar ik heb begrepen wordt de vermindering in het Waalse Gewest enkel verleend op uitdrukkelijke aanvraag en na voorlegging van de bewijsstukken en is het moeilijk om een actuele gezinssituatie bij te houden. Het Vlaamse Gewest streeft er zoals steeds naar om de vermindering automatisch toe te kennen. De gegevens over coouderschap en verblijfsregelingen dienen in dat geval dus ook volledig elektronisch aangeleverd te worden door authentieke gegevensbronnen. Mijn administratie heeft bovendien in het kader van de operationele doelstelling “rationalisering van de Vlaamse fiscaliteit” een nota opgemaakt waarin bestaande gunstmaatregelen worden geclusterd rond een aantal thema’s, waaronder onder meer persoonsgebonden aangelegenheden. Een modulering van de grondbelasting in functie van de persoonlijke situatie is niet altijd evident. Andere belastingen lenen zich daar soms beter toe. Ook binnen dit ruimer kader kan een beleidsvoorstel worden opgenomen om te remediëren aan deze problematiek en ook aan de problematiek van kinderlast bij huurders bij diezelfde belasting. Zoals ik reeds aangaf in de vraag om uitleg nr. 1945 van collega Koen Van den Heuvel van 26 april 2016, verwacht ik de eerste, voorlopige resultaten van het project pas in de loop van 2017.
4. Zoals aangegeven in deelantwoord 1, is de belastingvermindering voor kinderbijslaggerechtigde kinderen verbonden met het onroerende goed waar deze kinderen hun woonplaats hebben volgens het bevolkingsregister. Behoudens een minnelijke regeling tussen de co-ouders onderling, kunnen laatstgenoemden hier voorlopig geen stappen ondernemen om er voor te zorgen dat de vermindering op de onroerend voorheffing aan elk van hen (voor de helft) toekomt.
