Parlementaire vraag nr. 55000897C van de heer Servais Verherstraeten van 22.10.2019
Kamer, Integraal Verslag – Commissie voor de Financiën 2019-2020, CRIV 55 COM 037 d.d. 22.10.2019, blz. 46
De aanslag op geheime commissielonen
VRAAG (van de heer Verherstraeten)
Mijnheer de minister, dit is andermaal een vraag naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak, deze keer van het Grondwettelijk Hof. Als een vennootschap een voordeel verleent aan haar bedrijfsleider waarvoor er geen fiche wordt opgemaakt, dan wordt dat onderworpen aan een aanslag op geheime commissielonen.
Daar bestaat echter een uitzondering op als de genieter van het voordeel ondubbelzinnig geïdentificeerd wordt binnen de tweeënhalf jaar. Daarbij rijst de vraag wat er moet gebeuren als de identificatie kort na het verstrijken van de termijn gebeurt. Het Grondwettelijk Hof heeft gesteld dat het dan met de huidige regeling om een dubbele belasting zou kunnen gaan. Volgens het Hof zou het al dan niet respecteren van die termijn geen verschil mogen uitmaken.
In de afgelopen legislatuur is er in een ontsnappingsroute voorzien. Wanneer er een aanslag zou komen voor het vergoedingskarakter, dat wil zeggen een bijzondere aanslag die het feit compenseert dat de genieter van het voordeel er geen belasting op betaald heeft, dan zou dit gecompenseerd worden.
Mijnheer de minister, ik heb enkel vragen in verband met het samengaan van het arrest van het Grondwettelijk Hof met de regeling uit de vorige legislatuur. Kunt u verduidelijken wat het standpunt van de administratie zal zijn inzake de toepassing van de aanslag op geheime commissielonen na het arrest van het Grondwettelijk Hof? Komt er een circulaire? Zo ja, moet het arrest dan worden toegepast op alle hangende zaken? Wordt hiermee de mogelijkheid gegeven aan belastingplichtigen om een ontheffing te vragen?
Ten tweede, moet de wet volgens u aangepast worden? Zo ja, moet hierbij het vergoedingskarakter vooropgesteld worden, waardoor er in feite rekening zou moeten worden gehouden met de aanslagtermijnen die gelden voor de fiscus? Moet de regeling volgens u veeleer een bestraffend karakter krijgen, waardoor de wetgeving overeenkomstig gewijzigd moet worden?
ANTWOORD (van de minister)
Dit antwoord zal iets langer zijn dan de twee vorige.
De administratie sluit zich aan bij het door u bedoelde arrest van het Grondwettelijk Hof van 26 september 2019. Een circulaire zal dit standpunt toelichten.
Door de publicatie van een arrest van het Grondwettelijk Hof beschikt de belastingschuldige over de gewone bezwaartermijn, maar ook over de termijn van vijf jaar, voorzien bij een nieuw, bewijskrachtig feit. Voor de toepassing van de termijn van vijf jaar mag de aanslag niet reeds het voorwerp zijn geweest van een bezwaarschrift dat aanleiding gaf tot een definitieve grondbeslissing.
De nog hangende administratieve of gerechtelijke geschillen moeten het voorwerp uitmaken van respectievelijk beslissingen of conclusies, overeenkomstig de richtlijnen zoals deze in de circulaire zullen worden opgenomen, met dien verstande dat de bewijslast bij de belastingschuldige ligt.
De beslissing tot verwerping van de bezwaarschriften of vragen tot ambtshalve ontheffing, die eerder werden ingediend op grond van dezelfde grief, zijn evenwel onherroepelijk bij gebreke van het instellen van een vordering in het Gerechtelijk Wetboek.
Artikel 219 van het WIB 92 zal worden aangepast opdat het niet meer in strijd zou zijn met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. Die wetsaanpassing zal de keuze die eind 2014 werd gemaakt, tijdens een eerdere wijziging van het wetsartikel, om de afzonderlijke aanslag nog uitsluitend een vergoedend karakter te laten hebben, respecteren.
CONCLUSIE (van de heer Verherstraeten)
Mijnheer de minister, ik meen dat het bewaren van het vergoedend karakter de facto op hetzelfde neerkomt en het is ook budgettair neutraal voor de federale overheid. Dit lijkt mij dan ook een goede zaak.
