Parlementaire vraag nr. 505 van de heer de Donnéa van 29.09.1993

Bull. nr. 735, pag. 380
Afzonderlijke aanslag van achterstallige sommen - Referentiejaar - Aanslagvoet
De belastbare achterstallige sommen, waarvan het bedrag moet worden vermeld in vak 6 (letter F) van de fiche 281.12 waarin de vervangingsinkomens (ziekte- en invaliditeitsverzekering) van het kalenderjaar 1991 voorkomen, zijn het voorwerp van de afzonderlijke belasting bedoeld in artikel 93, §1, 3, b), WIB, thans artikel 171, 5°, b), WIB 1992.
Naar luid van die twee artikelen zijn de hierboven vermelde inkomens in beginsel belastbaar tegen de gemiddelde aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de belastbare inkomsten van het laatste vorige jaar waarin de belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad (referentiejaar).
Anderzijds definieert de fiscale literatuur, steunende op de Administratieve Commentaar, het referentiejaar als het meest recente vorige jaar tijdens hetwelk gedurende twaalf maanden in beginsel belastbare beroepsinkomsten werden ontvangen, in België of in het buitenland.
Is het, wat het hierboven geschetste specifieke terrein betreft, zo dat het "referentiejaar" op zijn minst twaalf opeenvolgende maanden moet tellen (begin januari tot eind december) van normale beroepswerkzaamheid, opdat het in aanmerking kan komen voor het bepalen van de gemiddelde aanslagvoet ?
Wordt het gemiddelde van de aanslagvoeten vastgesteld om praktische redenen en ter vereenvoudiging als er geen referentiejaar is, stringent toegepast, ook al wordt de belastingplichtige benadeeld door deze "praktische vereenvoudiging om praktische redenen" ?
ANTWOORD
De richtlijnen die opgenomen zijn in nr. 93/26 van de Administratieve Commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen (Com. IB), verduidelijken dat "onder het laatste vorige jaar tijdens hetwelk de belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid gehad heeft (hierna referentiejaar te noemen) men het meest recente vorige jaar verstaat waarin de betrokkene in België of in het buitenland gedurende twaalf maanden belastbare beroepsinkomsten - welke ook hun aard zij - heeft behaald, die in de personenbelasting tegen de progressieve aanslagvoet werden belast of zouden belast geweest zijn indien de betrokkene aan deze belasting was onderworpen geweest".
Strikt genomen, is het dus niet zozeer het feit dat de betrokkene gedurende twaalf maanden en op ononderbroken wijze een beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend, dat doorslaggevend is, doch veeleer het feit dat hij gedurende diezelfde periode belastbare beroepsinkomsten heeft verkregen. Er is met andere woorden niet vereist dat een beroepswerkzaamheid werd uitgeoefend van 1 januari tot 31 december, maar wel dat de belastingplichtige gedurende elk van de twaalf maanden van het beschouwde jaar belastbare beroepsinkomsten heeft verkregen (met inbegrip van vervangingsinkomsten of pensioenen, renten, enz.).
Indien geen dergelijk referentiejaar voorhanden is, schrijven de in nr. 93/38, Com. IB uiteengezette richtlijnen voor om de inkomsten die in beginsel afzonderlijk tegen de gemiddelde aanslagvoet van het vorig jaar moeten belast worden, te belasten tegen de aanslagvoet die erop van toepassing zou geweest zijn, indien die inkomsten tijdig betaald waren geweest en zij belast waren geworden voor de jaren waarop zij betrekking hebben.
Het is slechts in de gevallen waarin de inkomsten in kwestie op verschillende jaren betrekking hebben, dat de onder nr. 93/39, COM. IB opgenomen richtlijnen voorschrijven het gemiddelde toe te passen van de aanslagvoeten van de jaren waarin die inkomsten betaald hadden moeten zijn.
Dienaangaande kan ik het geachte lid evenwel geruststellen door hem te melden dat de in zijn vraag aangehaalde - nochtans zeer oude - administratieve richtlijnen bij mijn weten nooit tot noemenswaardige moeilijkheden hebben geleid.