Parlementaire vraag nr. 624 van mevrouw Pieters van 14.03.2001
VRAAG 01/624
Vraag nr. 624 van mevrouw Pieters dd. 14.03.2001
Bull. nr. 831, pag. 3258-3263
Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr. 104, blz. 12155-12158
Gepensioneerde landbouwers
VRAAG
De al dan niet vervroegd gepensioneerde land- en tuinbouwers behouden meestal nog hun voorheen (ambtshalve) toegekend BTW-nummer en zijn daardoor jaarlijks gehouden een klantenlisting in te dienen tegen uiterlijk 31 maart van het kalenderjaar volgend op de leveringen van goederen en diensten. Daartegenover zijn zij echter niet gehouden tot het indienen van maandelijkse of BTW-kwartaalaangiften.
Inzake directe belastingen wordt hun jaarlijks een aangifteformulier toegestuurd waarbij zij in principe onderworpen worden aan de forfaitaire grondslagen van aanslag waarvan sprake in artikel 342, § 1, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992).
In werkelijkheid ontplooien die op rust gestelde land- en tuinbouwers geen enkele eigenlijke land- of tuinbouwactiviteit meer.
Nochtans behouden sommige gepensioneerden hun landbouwgronden (in juridische eigendom of vruchtgebruik) en gebruiken die ofwel als moes- of hobbytuin ofwel verhuren, die aan hun kinderen, hun familieleden of aan derden onder de vorm van seizoenpacht.
Terzake rijzen de volgende algemene praktische vragen zowel inzake BTW als inzake directe belastingen.
1.
a) Moeten zij jaarlijks nog een nihil-BTW-klantenlisting indienen?
b) In ontkennend geval, bij welke bevoegde BTWambtenaar dienen zij welbepaalde concrete formaliteiten te vervullen om van die jaarlijkse BTW-verplichting definitief te worden ontslagen?
c) Is die seizoenpacht onderworpen aan de BTW?
2.
a) Dienen zij jaarlijks nog een "forfaitaire" landbouwaangifte inzake personenbelasting in te dienen (zie artikel 342, § 1, tweede lid, van het WIB 1992)?
b) Welke diverse belastingnormen worden er terzake gehanteerd om hen bij voortduur nog als land- of tuinbouwer te catalogeren?
c) In ontkennend geval, bij welke bevoegde belastingambtenaar van de directe belastingen en/of van de AOIF dienen zij welbepaalde concrete formaliteiten na te leven om ook van die fiscale verplichting te worden ontslagen en aldus als een gewone "gepensioneerde" te kunnen worden aangemerkt?
3. Vanaf welke precieze beteelde oppervlakte (in eigendom of in vruchtgebruik) zelf aangewend als moes- of hobbytuin en/of verhuurd als seizoenpacht worden zij zowel uit BTW- als vanuit belastingoogpunt respectievelijk aangemerkt als BTW-belastingschuldige of als belastingplichtige?
4.
a) Onder welke gecodeerde rubrieken van de aangifte in de personenbelasting over het aanslagjaar 2000 moeten zij voornoemde sommen ontvangen uit hoofde van seizoenpacht eventueel aangeven?
b) Onder welke wettelijke of reglementaire bepalingen van het WIB 1992 dienen die al dan niet belastbare inkomsten in rechte te worden gerangschikt?
5. Kan u punt per punt uw algemene praktische ziens- en handelwijze weergeven in het licht van het BTW-Wetboek, van de wettelijke bepalingen van het WIB 1992 en van alle beginselen van een behoorlijk en klantvriendelijk bestuur?
ANTWOORD
Ik heb de eer het geachte lid het volgende mee te delen.
Inzake BTW
1.
a) De in artikel 57 van het BTW-Wetboek bedoelde forfaitaire landbouwer die op het tijdstip van zijn pensionering de exploitatie van zijn landbouwbedrijf volledig stopzet en derhalve de gronden die hij in eigendom heeft of waarop hij een recht van vruchtgebruik bezit, uitsluitend voor privédoeleinden aanwendt of verhuurt aan zijn kinderen, zijn familieleden of aan derden, dient inzake BTW de formaliteiten na te leven als bedoeld in punt 1, b), infra.
b) Genoemde landbouwer dient overeenkomstig artikel 53, eerste lid, 1°, van het BTW-Wetboek en artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 binnen de 15 dagen na het beëindigen van de exploitatie van zijn landbouwbedrijf een aangifte van stopzetting van activiteit (formulier nr. 604C) in te dienen bij het plaatselijk BTW-controlekantoor waaronder hij ressorteert. Dit formulier kan gratis worden bekomen bij het genoemde kantoor.
Bovendien moet hij binnen de drie maanden na het beëindigen van de exploitatie van zijn landbouwbedrijf bij hetzelfde kantoor de lijst van de belastingplichtige klanten indienen met betrekking tot het verstreken gedeelte van het lopende kalenderjaar (zie koninklijk besluit nr. 23, artikel 1, voorlaatste lid). In deze lijst moet hij tevens verklaren of hij al dan niet gehouden is tot het indienen van de jaarlijkse intracommunautaire opgave als bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 50 van 29 december 1992 (zie koninklijk besluit nr. 23, artikel 3). In bevestigend geval voegt hij de intracommunautaire opgave met betrekking tot het verstreken gedeelte van het lopende kalenderjaar bij hogergenoemde lijst (zie koninklijk besluit nr. 50, artikel 6, § 2). Van zodra deze formaliteiten zijn vervuld, dient hij voor de toekomst geen enkele nihil-listing in te dienen.
c) Vermits landpacht een dienst is bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het BTW-Wetboek, wordt iemand die geregeld en zelfstandig landbouwgronden verpacht - zoals dit bij seizoenpacht het geval is - als BTW-belastingplichtige aangemerkt.
De verpachting of de verhuur van landbouwgronden is evenwel een dienstverrichting die van de BTW is vrijgesteld met toepassing van artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek. De ex-landbouwer heeft voor deze activiteit waarvoor hij de hoedanigheid verkrijgt van vrijgestelde belastingplichtige zonder recht op aftrek in beginsel geen enkele declaratieve verplichting inzake BTW na te leven.
3. Wanneer evenwel de betrokkene nog leveringen verricht van de door hem voortgebrachte producten dient geval per geval, rekening houdend met de belangrijkheid en het geregelde karakter van dergelijke leveringen, te worden nagegaan of hij nog de hoedanigheid heeft van forfaitaire landbouwer als bedoeld in artikel 57 van het BTW-Wetboek. In bevestigend geval is uiteraard het bepaalde in punt 1, b), supra, niet van toepassing en dient hij alle verplichtingen die de BTWregeling aan dergelijke landbouwexploitanten oplegt verder na te leven.
Inzake inkomstenbelastingen
De belastbaarheid en de kwalificatie van de door het geachte lid bedoelde inkomsten worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke omstandigheden van elk geval afzonderlijk.
De belangrijkheid van een perceel is immers niet alleen afhankelijk van de bewerkte oppervlakte, maar eveneens van de aard van de geteelde producten. Het feit dat zulk perceel wordt geëxploiteerd door een gepensioneerd landbouwer heeft in principe geen invloed op het belastingstelsel van de terzake behaalde inkomsten.
De uit die oppervlakte door de natuurlijke persoon behaalde beroepsinkomsten dienen in het deel 2 van de aangifte in de personenbelasting te worden vermeld. Die inkomsten kunnen dan overeenkomstig artikel 342, § 1, tweede lid, van het WIB 1992 bij gebrek aan bewijskrachtige bescheiden op grond van de forfaitaire grondslagen van aanslag worden belast.
Indien de belastingplichtige daarentegen oordeelt met die grondslagen niet te kunnen instemmen, moet hij, onder controle van de administratie, het bedrag vaststellen en aangeven van de door hem werkelijk behaalde winsten.
Tot slot wens ik het geachte lid nog uit te nodigen om indien zij een concreet geval beoogt, mij de volledige identiteit ervan mee te delen zodat de bevoegde diensten van de administratie een onderzoek kunnen instellen.
Vraag nr. 624 van mevrouw Pieters dd. 14.03.2001
Bull. nr. 831, pag. 3258-3263
Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr. 104, blz. 12155-12158
Gepensioneerde landbouwers
VRAAG
De al dan niet vervroegd gepensioneerde land- en tuinbouwers behouden meestal nog hun voorheen (ambtshalve) toegekend BTW-nummer en zijn daardoor jaarlijks gehouden een klantenlisting in te dienen tegen uiterlijk 31 maart van het kalenderjaar volgend op de leveringen van goederen en diensten. Daartegenover zijn zij echter niet gehouden tot het indienen van maandelijkse of BTW-kwartaalaangiften.
Inzake directe belastingen wordt hun jaarlijks een aangifteformulier toegestuurd waarbij zij in principe onderworpen worden aan de forfaitaire grondslagen van aanslag waarvan sprake in artikel 342, § 1, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992).
In werkelijkheid ontplooien die op rust gestelde land- en tuinbouwers geen enkele eigenlijke land- of tuinbouwactiviteit meer.
Nochtans behouden sommige gepensioneerden hun landbouwgronden (in juridische eigendom of vruchtgebruik) en gebruiken die ofwel als moes- of hobbytuin ofwel verhuren, die aan hun kinderen, hun familieleden of aan derden onder de vorm van seizoenpacht.
Terzake rijzen de volgende algemene praktische vragen zowel inzake BTW als inzake directe belastingen.
1.
a) Moeten zij jaarlijks nog een nihil-BTW-klantenlisting indienen?
b) In ontkennend geval, bij welke bevoegde BTWambtenaar dienen zij welbepaalde concrete formaliteiten te vervullen om van die jaarlijkse BTW-verplichting definitief te worden ontslagen?
c) Is die seizoenpacht onderworpen aan de BTW?
2.
a) Dienen zij jaarlijks nog een "forfaitaire" landbouwaangifte inzake personenbelasting in te dienen (zie artikel 342, § 1, tweede lid, van het WIB 1992)?
b) Welke diverse belastingnormen worden er terzake gehanteerd om hen bij voortduur nog als land- of tuinbouwer te catalogeren?
c) In ontkennend geval, bij welke bevoegde belastingambtenaar van de directe belastingen en/of van de AOIF dienen zij welbepaalde concrete formaliteiten na te leven om ook van die fiscale verplichting te worden ontslagen en aldus als een gewone "gepensioneerde" te kunnen worden aangemerkt?
3. Vanaf welke precieze beteelde oppervlakte (in eigendom of in vruchtgebruik) zelf aangewend als moes- of hobbytuin en/of verhuurd als seizoenpacht worden zij zowel uit BTW- als vanuit belastingoogpunt respectievelijk aangemerkt als BTW-belastingschuldige of als belastingplichtige?
4.
a) Onder welke gecodeerde rubrieken van de aangifte in de personenbelasting over het aanslagjaar 2000 moeten zij voornoemde sommen ontvangen uit hoofde van seizoenpacht eventueel aangeven?
b) Onder welke wettelijke of reglementaire bepalingen van het WIB 1992 dienen die al dan niet belastbare inkomsten in rechte te worden gerangschikt?
5. Kan u punt per punt uw algemene praktische ziens- en handelwijze weergeven in het licht van het BTW-Wetboek, van de wettelijke bepalingen van het WIB 1992 en van alle beginselen van een behoorlijk en klantvriendelijk bestuur?
ANTWOORD
Ik heb de eer het geachte lid het volgende mee te delen.
Inzake BTW
1.
a) De in artikel 57 van het BTW-Wetboek bedoelde forfaitaire landbouwer die op het tijdstip van zijn pensionering de exploitatie van zijn landbouwbedrijf volledig stopzet en derhalve de gronden die hij in eigendom heeft of waarop hij een recht van vruchtgebruik bezit, uitsluitend voor privédoeleinden aanwendt of verhuurt aan zijn kinderen, zijn familieleden of aan derden, dient inzake BTW de formaliteiten na te leven als bedoeld in punt 1, b), infra.
b) Genoemde landbouwer dient overeenkomstig artikel 53, eerste lid, 1°, van het BTW-Wetboek en artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 binnen de 15 dagen na het beëindigen van de exploitatie van zijn landbouwbedrijf een aangifte van stopzetting van activiteit (formulier nr. 604C) in te dienen bij het plaatselijk BTW-controlekantoor waaronder hij ressorteert. Dit formulier kan gratis worden bekomen bij het genoemde kantoor.
Bovendien moet hij binnen de drie maanden na het beëindigen van de exploitatie van zijn landbouwbedrijf bij hetzelfde kantoor de lijst van de belastingplichtige klanten indienen met betrekking tot het verstreken gedeelte van het lopende kalenderjaar (zie koninklijk besluit nr. 23, artikel 1, voorlaatste lid). In deze lijst moet hij tevens verklaren of hij al dan niet gehouden is tot het indienen van de jaarlijkse intracommunautaire opgave als bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 50 van 29 december 1992 (zie koninklijk besluit nr. 23, artikel 3). In bevestigend geval voegt hij de intracommunautaire opgave met betrekking tot het verstreken gedeelte van het lopende kalenderjaar bij hogergenoemde lijst (zie koninklijk besluit nr. 50, artikel 6, § 2). Van zodra deze formaliteiten zijn vervuld, dient hij voor de toekomst geen enkele nihil-listing in te dienen.
c) Vermits landpacht een dienst is bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het BTW-Wetboek, wordt iemand die geregeld en zelfstandig landbouwgronden verpacht - zoals dit bij seizoenpacht het geval is - als BTW-belastingplichtige aangemerkt.
De verpachting of de verhuur van landbouwgronden is evenwel een dienstverrichting die van de BTW is vrijgesteld met toepassing van artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek. De ex-landbouwer heeft voor deze activiteit waarvoor hij de hoedanigheid verkrijgt van vrijgestelde belastingplichtige zonder recht op aftrek in beginsel geen enkele declaratieve verplichting inzake BTW na te leven.
3. Wanneer evenwel de betrokkene nog leveringen verricht van de door hem voortgebrachte producten dient geval per geval, rekening houdend met de belangrijkheid en het geregelde karakter van dergelijke leveringen, te worden nagegaan of hij nog de hoedanigheid heeft van forfaitaire landbouwer als bedoeld in artikel 57 van het BTW-Wetboek. In bevestigend geval is uiteraard het bepaalde in punt 1, b), supra, niet van toepassing en dient hij alle verplichtingen die de BTWregeling aan dergelijke landbouwexploitanten oplegt verder na te leven.
Inzake inkomstenbelastingen
De belastbaarheid en de kwalificatie van de door het geachte lid bedoelde inkomsten worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke omstandigheden van elk geval afzonderlijk.
De belangrijkheid van een perceel is immers niet alleen afhankelijk van de bewerkte oppervlakte, maar eveneens van de aard van de geteelde producten. Het feit dat zulk perceel wordt geëxploiteerd door een gepensioneerd landbouwer heeft in principe geen invloed op het belastingstelsel van de terzake behaalde inkomsten.
De uit die oppervlakte door de natuurlijke persoon behaalde beroepsinkomsten dienen in het deel 2 van de aangifte in de personenbelasting te worden vermeld. Die inkomsten kunnen dan overeenkomstig artikel 342, § 1, tweede lid, van het WIB 1992 bij gebrek aan bewijskrachtige bescheiden op grond van de forfaitaire grondslagen van aanslag worden belast.
Indien de belastingplichtige daarentegen oordeelt met die grondslagen niet te kunnen instemmen, moet hij, onder controle van de administratie, het bedrag vaststellen en aangeven van de door hem werkelijk behaalde winsten.
Tot slot wens ik het geachte lid nog uit te nodigen om indien zij een concreet geval beoogt, mij de volledige identiteit ervan mee te delen zodat de bevoegde diensten van de administratie een onderzoek kunnen instellen.
Bron: FisconetPlus
