Parlementaire vraag nr. 99 van mevrouw Charlotte Verkeyn van 19.11.2024
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2024-2025, QRVA 56/005 d.d. 14.01.2025, blz. 284
Mobiliteitsrichtlijn - Zusterfusie - Fiscale neutraliteit
VRAAG
Met de wet van 25 mei 2023 werd de Europese Mobiliteitsrichtlijn 2019/2121 van 27 november 2019 geïmplementeerd in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV). Bijgevolg bestaat de mogelijkheid om een vereenvoudigde zusterfusie toe te passen - waarbij vennootschapsrechtelijk de uitgifte van aandelen in de verkrijgende vennootschap niet langer vereist is, indien alle aandelen (on)rechtstreeks in handen zijn van één persoon of als de aandeelhouders in de fuserende vennootschappen hun aandelen in alle fuserende vennootschappen in dezelfde verhouding aanhouden (artikel 12:7, 2° WVV).
Met de wet van 28 december 2023 houdende diverse fiscale bepalingen werd getracht om de belastingneutraliteit uit te breiden naar de vereenvoudigde zusterfusie. Hiertoe werd de definitie van een zusterfusie in artikel 2, § 1, 6°/1 WIB92 aangepast. Concreet werd de verwijzing naar de uitgifte van de nieuwe aandelen uit de definitie gehaald.
1. Artikel 211 WIB92 werd evenwel niet aangepast. Bijgevolg blijft "belastingheffing [...] achterwege in de mate dat de inbrengen worden vergoed met nieuwe aandelen die daartoe worden uitgegeven, of in de mate dat de in § 2, lid 3 bedoelde gevallen, de overnemende of verkrijgende vennootschap de vóór de verrichting [...] aanwezige vrijgestelde reserve [...] overneemt" (artikel 211, § 1, lid 1, 2° WIB92). Bijgevolg is deze belastingneutraliteit niet van toepassing indien er geen nieuwe aandelen worden uitgegeven. De uitzondering vervat in artikel 211, § 2, lid 3 WIB92 is immers slechts voorbehouden voor moeder-dochterfusies, en kan door zusterfusies niet worden ingeroepen.
Kunt u bevestigen dat de belastingneutraliteit voor de toepassing van de vennootschapsbelasting kan worden aanvaard, voor zover er geen vermindering van de vrijgestelde reserves plaatsvindt naar analogie met de geruisloze moeder-dochterfusie - rekening houdend met de doelstelling van de wetgever teneinde "de vennootschapsrechtelijke wijzigingen naar aanleiding van de omzetting van Richtlijn 2019/2121 ook fiscaal volledig te laten doorwerken" (Parl. St., Kamer, 2023-2024, nr. 55-3607/001, 34-35)?
2. Artikelen 117, § 1 en 120, lid 3 W.Reg. werden evenmin aangepast. Bijgevolg is de uitgifte van aandelen nog steeds wettelijk vereist om de vrijstelling van registratierechten te kunnen toepassen met betrekking tot de gemengde inbreng van onroerende goederen ingevolge de zusterfusie. Een gelijkaardige problematiek bestond reeds voor (geruisloze) moeder-dochterfusies. Ondanks de uitgifte van nieuwe aandelen bij een geruisloze moeder-dochterfusie besloot het Hof van Cassatie (9 maart 2006) reeds dat de vrijstelling ook in dergelijke gevallen van toepassing moet zijn.
Kunt u bevestigen dat de zienswijze van het Hof van Cassatie ook toepassing vindt op vereenvoudigde zusterfusies, aangezien het immers een fusie betreft die gelijkgesteld is met, en dezelfde rechtsgevolgen heeft als, een gewone zusterfusie die wel wordt vergoed middels de uitgifte van nieuwe aandelen?
ANTWOORD (van de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding en de Nationale Loterij)
1. Om tegemoet te komen aan de door u gestelde problematiek is een wetswijziging noodzakelijk. Ik zal mijn administratie dan ook de opdracht geven om een aanpassing van de relevante wettelijke bepalingen ter zake voor te stellen.
2. In haar arrest van 9 maart 2006 oordeelde het Hof van Cassatie dat artikel 117, § 1 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, luidens de bepalingen van dit artikel, en het gebruik van het woord "anderszins", niet uitsluitend toepasselijk is op een fusie door overneming waarbij een inbreng van een algemeenheid van goederen in de overnemende vennootschap gebeurt tegen uitgifte van nieuwe aandelen, maar ook op de fusies die hiermee door de wetgever worden gelijkgesteld en die dezelfde rechtsgevolgen hebben.
Het Hof concludeert vervolgens dat de vrijstelling van artikel 117, § 1 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten aldus ook toepasselijk is wanneer de inbreng niet gepaard gaat met een uitgifte van aandelen.
In het verlengde van die zienswijze wordt gesteld dat artikel 117, § 1 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten ook toepassing vindt voor de met fusie door overneming gelijkgestelde rechtshandeling bedoeld in artikel 12:7, 2° van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (Adm. Besl. van 11 maart 2024).
