Parlementaire vraag nr. 827 van mevrouw Pieters van 07.06.2005

Parlementaire vraag nr. 827 van mevrouw Pieters d.d. 07.06.2005

Vragen en Antwoorden, Kamer, 2004-2005, nr. 088, blz. 15457-15460

Forfaitaire grondslagen van aanslag

VRAAG

Overeenkomstige de wettelijke bepalingen van artikel 342, § 1, tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 mogen sommige kleinhandelaars (bakkers, caféhouders, viswinkels, slagers, frituurhouders, enzovoort) de in overleg met de betrokken beroepsgroeperingen vastgestelde forfaitaire gronden van aanslag toepassen.

Volgens de niet in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde "administratieve" toepassingsmaatregelen "mag" de taxatieambtenaar de toepassing van die forfaitaire grondslagen van aanslag echter blijkbaar toch weigeren indien hij "in staat" is zelf te bewijzen dat de werkelijke winst "aanzienlijk" hoger is dan de forfaitair bepaalde winst.

Terzake rijzen in de praktijk daarbij evenwel de volgende algemene en pertinente vragen.

1. Is die zogezegde weigering letterlijk ingeschreven in een fiscale wet en/of in een reglementaire bepaling ( cf. legaliteitsbeginsel) of gaat het hier enkel en alleen om een "mogelijke" "administratieve" zienswijze?

2. Hoe definiëren of omschrijven zowel de belastingadministraties als een gebeurlijke uitdrukkelijke belastingwet het begrip "aanzienlijk" en welke beoordelingscriteria en verhoudingsgetallen moeten hiertoe allemaal ernstig in aanmerking worden genomen of getoetst worden aan een of andere richtlijn en/of aan overige redelijke fiscale normen?

3. Op welke gemotiveerde en vooral rechtsgeldige wijze en aan de hand van al welke wettelijke bewijsmiddelen mogen of moeten de belastingambtenaren de beweerde bewijsvoering en die gevoelige hogere omvang van de werkelijke "winst" effectief leveren?

4. Gaat het hier om een "netto-winst" dan wel om een "semi-bruto-winst" of veeleer alleen om kolossaal hogere dagontvangsten of zakencijfers?

5. Moet de belastingambtenaar terzake daarnaast eventueel ook de werkelijk veel "lagere" omvang van de in rekening gebrachte "beroepskosten" beoordelen ?

6. Zijn al die forfaitair belaste kleinhandelaars daarenboven eventueel nog algemeen verplicht een kasregister bij te houden en zonodig alle kasrollen aan de fiscus voor te leggen en mee te geven aan de toezichthoudende en controlerende ambtenaren?

7. Kan u, punt per punt, uw algemene ziens- en handelwijze meedelen met inachtneming van het grondwettelijk legaliteitsbeginsel en het openbare orde-karakter van de belastingen en van alle principes van behoorlijk bestuur, waaronder het vertrouwensbeginsel, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel ?

ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 20.07.2005)

Vooreerst wil ik verduidelijken dat de forfaitaire grondslagen van aanslag die in toepassing van artikel 342, § 1, tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in overleg met de betrokken beroepsgroeperingen worden vastgesteld, algemene gemiddelden vormen die, wanneer ze toepassing vinden, in principe moeten worden gebruikt voor het merendeel van de belastingplichtigen die hun beroep onder normale omstandigheden uitoefenen.

Een individuele verificatie is noodzakelijk telkens de forfaitaire grondslagen duidelijk niet in overeenstemming blijken te zijn met de vermoedelijke winst van de exploitant. Een dergelijke verificatie moet aanleiding geven tot een taxatie buiten forfait wanneer de winst aanzienlijk hoger is dan die welke voor vloeit uit de toepassing van de forfaitaire grondslagen van aanslag.

Dit is het geval voor een beperkt aantal exploitaties waarbij, in geval van weder-samensteiling van de inkomsten, er rekening dient gehouden te worden met de eigen omstandigheden, met inbegrip van levering waarvoor geen facturatieverplichting bestaat of waarvoor een bijzondere regeling geldt, afschrijvingen van activabestanddelen en bewezen en fiscaal aanvaardbare voorraadwijzigingen. In geval wordt afgeweken van de taxatie overeenkomstig forfaitaire grondslagen van aanslag, dient men rekening te houden met alie werkelijke beroepsverrichtingen van de betrokken belastingplichtige.

1. Artikel 342 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, stelt de administratie in staat, in overleg met de betrokken beroepsgroeperingen, forfaitaire grondslagen vast te stellen voor de aanslag van belastingplichtigen die geen voldoende rekeningen houden. In de praktijk bepalen de met de beroepsgroeperingen gesloten akkoorden dat de taxatieambtenaar de toepassing van het forfait mag weigeren indien hij in staat is te bewijzen dat de werkelijke winst aanzienlijk hoger is dan de forfaitair bepaalde winst.

2. Deze beoordeling komt in de eerste plaats toe aan de taxatieambtenaar op basis van alle elementen eigen aan het onderzochte geval.

3. Om het belastbare inkomen vast te stellen mag de taxatieambtenaar alle door het gemeen recht aanvaarde bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed, aanwenden, met name:

  • het schriftelijk bewijs;
  • het bewijs door getuigen;
  • de vermoedens;
  • de bekentenis.

4. Wanneer van het forfait wordt afgeweken, wordt er de nettowinst vastgesteld volgens de normale regels.

5. Er moet de belastingplichtige steeds de gelegenheid worden gegeven om door middel van afdoende elementen het tegengestelde te bewijzen of met de passende elementen de taxatieambtenaar de redelijke overtuiging ervan bij te brengen. Daarom wordt aanbevolen, hetzij door het voorleggen van bewijs krachtige documenten, hetzij indien mogelijk met akkoord van de belastingplichtige, rekening te houden met het bestaan en de grootte van voorraadwijzigingen, van eventuele bij andere leveranciers gedane aankopen en van niet op de leverancierslistings voorkomende beroepskosten.

De rechtspraak ter zake stelt dat de administratie de bewijslast behoudt en dat het haar toekomt te bewijzen dat de elementen waarop ze zich baseert om de inkomsten weder samen te stellen, ter evaluatie van de in toepassing van de forfaitaire grondslagen van aanslag vastgestelde belastbare basis, correct zijn of ten minste betrouwbaar en volledig.

Wanneer de belastingplichtige in gebreke blijft of wanneer hij de taxatieambtenaar niet de redelijke overtuiging kan bijbrengen, mogen de hiervoor vermelde elementen niet zonder meer worden genegeerd.

6. De mededeling en bewaring van boeken en bescheiden is een dubbele verplichting die opgelegd wordt aan alle belastingplichtigen. Trouwens de met de beroepsgroeperingen gesloten akkoorden bepalen dat de taxatieambtenaar de toepassing van het forfait mag weigeren indien hij vaststelt, hetzij dat de belastingplichtige de bescheiden die inzake BTW voor verrichtingen met betrekking tot zijn beroepswerkzaamheden zijn voorgeschreven, niet geëist of uitgereikt heeft, hetzij dat de betrokkene zijn verplichtingen inzake het houden van boeken en bescheiden niet is nagekomen.

7. De elementen werden in voorgaande punten besproken.