Parlementaire vraag nr. 619 van de heer Leterme van 07.03.2001

VRAAG 01/619
Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 149, blz.18949-18951
Afgehouden bedrijfsvoorheffing - Verrekening
VRAAG
Aangezien er ambtenaren van Financiën (buitendiensten) zijn die het antwoord van de minister op mijn mondelinge vraag nr. 2598 van 9 november 2000 naast zich neerleggen, zie ik me genoodzaakt om deze mondelinge vraag als schriftelijke vraag te hernemen (Integraal Verslag, Kamer, 2000-2001, commissie voor de Financiën en de Begroting, C 290, blz. 5).
De werkgever moet krachtens artikel 270 WIB 1992 de bedrijfsvoorheffing storten aan de Schatkist. Hij mag deze bedrijfsvoorheffing afhouden op de bezoldigingen (artikel 272 WIB 1992). De geheven bedrijfsvoorheffing moet bij de berekening van de belasting in hoofde van de bezoldigde verrekend worden ingevolge artikel 296 WIB 1992. Tot voor kort schreef de administratie (Com. IB 312/42) dat de "afgehouden" bedrijfsvoorheffing moet verrekend worden in hoofde van de bezoldigde, zelfs als de werkgever ze niet heeft gestort bij zijn ontvanger.
Thans weigert de administratie deze verrekening, zich steunend op de arresten Cassatie Verlipack (23 november 1992) en Moens (23 mei 1996). Deze weigering lijkt onwettig en onrechtvaardig. Het is niet dienend de vermelde arresten in te roepen aangezien deze enkel handelen over de grootte en de wettelijke voorrang van de schuldvorderingen voor de bezoldigingen, de RSZ-bijdragen en de bedrijfsvoorheffing. De vraag of de niet-gestorte bedrijfsvoorheffing al dan niet mag verrekend worden, is daar totaal vreemd aan. Door de weigering van verrekening van de afgehouden bedrijfsvoorheffing miskent de administratie precies het wettelijk voorrecht toegekend bij artikel 19, 3°bis, van de hypotheekwet.
Artikel 296 WIB 1992 voorziet dat de "geheven" bedrijfsvoorheffing moet verrekend worden. Door artikel 270 WIB 1992 wordt de werkgever aangeduid als wettelijk tussenpersoon (bankier) om de bedrijfsvoorheffing te heffen. Indien hij ze werkelijk voorafneemt op de bezoldiging, heeft hij ze geheven, want van dat ogenblik af kan de werknemer er niet meer over beschikken. Door de inkohiering van de (nietspontaan betaalde) bedrijfsvoorheffing wordt die heffing nog bekrachtigd.
Indien de bedrijfsvoorheffing niet werd gestort, wordt ze ingekohierd. De ontvanger moet deze aanslag invorderen met alle wettelijke middelen waarover hij beschikt. Dit is dan een procedure uitsluitend tussen de administratie en de werkgever, waar de werknemer geen partij is en trouwens niet moet noch kan tussenkomen. Voor de bedrijfsvoorheffing is alleen de werkgever de wettelijke belastingplichtige en geenszins de werknemer. Wanneer de wettelijke belastingplichtige de aanslag niet betaalt, kan een onschuldige derde (de werknemer) daar niet aansprakelijk voor gesteld worden.
De administratie doet dit nochtans wanneer ze de verrekening van de ingehouden bedrijfsvoorheffing weigert. Het is alsof de administratie op de rug van de werknemer wraak wil nemen voor haar onmacht om de ingekohierde bedrijfsvoorheffing te innen. De weigering van de administratie komt in feite neer op een "dubbele belasting" in hoofde van de werknemer: eerst door de afhouding van de bedrijfsvoorheffing en een tweede maal door het opnieuw belasten van de bezoldiging.
Voor de roerende voorheffing laat men de genieters van de roerende inkomsten toch ook met rust. Waarom dan wel voor de bedrijfsvoorheffing? En wat moet er gebeuren indien de administratie er - na een langdurige invorderingsprocedure - uiteindelijk toch in slaagt de ingekohierde bedrijfsvoorheffing te innen, op een tijdstip dat de herzieningstermijn voor de fiscale toestand van de werknemer verstreken is?
1. Bent u het eens met de stelling dat de afgehouden bedrijfsvoorheffing nog steeds moet verrekend worden in hoofde van de bezoldigde, zelfs als de werkgever ze niet heeft gestort bij zijn ontvanger?
2. Indien niet, wat moet er gebeuren als de administratie er - na een langdurige invorderingsprocedure - uiteindelijk toch in slaagt de ingekohierde bedrijfsvoorheffing te innen, op een tijdstip dat de herzieningstermijn voor de fiscale toestand van de werknemer verstreken is? (Parl. st. Kamer, 2002-2003, nrs. 2124/1 tot 38 en nrs. 2125/1 tot 13).
ANTWOORD
Ik bevestig aan het geachte lid dat de werkelijk ingehouden bedrijfsvoorheffing steeds verrekenbaar is, met inbegrip van de gevallen van faillissement. Het ontwerp van programmawet van december 2002 voorziet een aanpassing in die zin van artikel 296 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992.
(Parl. St., Kamer, 2002-2003, nrs. 2124/1 tot 38 en nrs. 2125/1 tot 13).