Parlementaire vraag nr. 15 van de heer Wouter Vermeersch van 20.02.2025
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2024-2025, QRVA 56/009 d.d. 01.04.2025, blz. 164
Automatische belastingverhoging van 10 % bij eerste vergissing zonder kwade trouw
VRAAG (van de heer Vermeersch)
Ondanks het recente arrest nr. 129/2024 van het Grondwettelijk Hof van 21 november 2024 en de aankondiging van uw voorganger inzake het niet toepassen van belastingverhogingen van 10 % aan belastingplichtigen in de personen- en vennootschapsbelasting die te goeder trouw handelen en onopzettelijke fouten maken, merken wij dat de FOD Financiën ook op heden daar nog geen rekening mee houdt. Uw voorganger stelde expliciet (Integraal Verslag, Kamer, 2024-2025, CRIV 56 COM 041): "Daarom is een team van experts vandaag bezig met een onderzoek naar een nieuwe gedragscode, die het kader moet zetten voor gewone fiscale controles, zodat die controles in een coöperatieve sfeer verlopen en er een goede verstandhouding ontstaat tussen de administratie en de belastingplichtigen. Eerder dan in een boksring te stappen en bepaalde uitspraken te doen, proberen wij op die manier te werken aan een betere fiscale toekomst." 1. Onderschrijft u zowel het standpunt van het Grondwettelijk Hof en de mededeling van uw voorganger en keurt u derhalve de werkwijze van de FOD Financiën af? 2. Mag een belastingplichtige zowel in de personen- als in de vennootschapsbelasting ervan uitgaan dat, wanneer de administratie hetzij in een bericht van wijziging of kennisgeving van aanslag van ambtswege zelf aanhaalt dat het om een overtreding gaat zonder het opzet de belasting te ontduiken, de belastingverhoging van 10 % niet zal toegepast worden? 3. Wanneer een belastingplichtige in de vennootschapsbelasting per vergissing de regel 1754 aanvinkt met betrekking tot het toepasselijk tarief van de belasting - deze regel 1754 is louter bedoeld om middels digitalisering en zonder tussenkomst van de bevoegde fiscale ambtenaren de aanslagberekening mogelijk te maken - maar anderzijds alle, zowel verplichte als niet verplichte bijlagen aan de aangifte, aan de administratie heeft overgemaakt waaruit deze laatste zowel in de mogelijkheid verkeert de grondslag van de belasting als het op de belasting toepasselijk tarief vast te stellen, geconfronteerd wordt met een belastingverhoging van 10 %, waarbij de administratie hetzij in een bericht van wijziging van aangifte of kennisgeving van aanslag van ambtswege zelf van oordeel is dat het een eerste overtreding betreft zonder het opzet de belasting te ontduiken. Heeft de administratie dan het recht deze belastingverhoging te claimen, dit gezien voormeld arrest van het Grondwettelijk Hof en het standpunt van uw voorganger? 4. Bent u van oordeel dat het zich bij een dergelijke misslag handelt om een "materiële vergissing" wanneer uit alle andere toegevoegde, verplichte en niet verplichte, bijlagen aan de aangifte de administratie in de mogelijkheid verkeert om zowel de bepaling van de grondslag van de belasting als het bepalen van het toe te passen tarief vast te stellen en dat, gezien de duidelijkheid hieromtrent van deze bijlagen, het geenszins de bedoeling was van belastingplichtige hetzij om de belasting te ontduiken, te vermijden of te omzeilen? 5. Bovendien stelt art. 376, § 1, WIB 92 volgende: § 1. De adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar verleent ambtshalve ontheffing van de overbelastingen die voortvloeien uit materiële vergissingen, uit dubbele belasting, alsmede van die welke zouden blijken uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingschuldige wordt verantwoord door gewettigde redenen en op voorwaarde dat: 1°, die overbelastingen door de administratie werden vastgesteld of door de belastingschuldige, door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, aan de administratie werden bekendgemaakt binnen vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd; Hieruit kan afgeleid worden dat het toepassen van een belastingverhoging van 10 % aanleiding geeft tot het heffen van een overbelasting waarvan de administratie zelf toegeeft dat het niet bedoeld was om de belasting te ontduiken en gezien uit de bijgevoegde verplichte en niet verplichte bijlagen aan de aangifte, blijkt dat zij zonder meer in staat is of minstens dient te zijn, om zowel de grondslag als het toepasselijk tarief te bepalen, en eveneens blijkt dat het dus geenszins de bedoeling was van de belastingplichtige de belasting te ontduiken, te vermijden of te omzeilen, en dat aldus kan gesteld worden dat de vergissing als een materiële vergissing in de zin van art. 376, § 1, WIB 92 dient gezien te worden. Kunt u zich in deze stelling vinden?
ANTWOORD (van de Vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding en de Nationale Loterij)
1 en 2. Bij niet-aangifte, bij onjuiste of onvolledige aangifte of bij laattijdige aangifte, voorziet artikel 444 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) in de toepassing van een belastingverhoging die wordt bepaald naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding gaande van 10 % tot 200 % van de op het niet aangegeven of laattijdig aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen. Het derde lid van hetzelfde artikel voorziet dat kan worden afgezien van het minimum van 10 % verhoging bij afwezigheid van kwade trouw. In het kader van de prejudiciële vragen die zijn gesteld en die hebben geleid tot arrest nr. 129/2024 van 21 november 2024, is het Grondwettelijk Hof niet ondervraagd over de grondwettelijkheid van artikel 444, derde lid, WIB 92, in zoverre deze bepaling de mogelijkheid biedt aan de fiscale administratie om al dan niet af te zien van de toepassing van het minimum van 10 % verhoging bij afwezigheid van kwade trouw van de belastingplichtige. Aangezien deze specifieke problematiek niet door het Grondwettelijk Hof is geanalyseerd, hoeft met betrekking tot deze problematiek geen rekening te worden gehouden met dit arrest. 3. Het feit dat de belastingplichtige per vergissing het vakje van code 1754 in de aangifte vennootschapsbelasting aanvinkt terwijl hij niet voldeed aan de wettelijke voorwaarden om te genieten van het verlaagde tarief van 20 % op de eerste schijf van 100.000 euro, houdt in dat de belastingplichtige een aangifte indient die als onjuist of incorrect moet worden gekwalificeerd. Overeenkomstig artikel 444 WIB92 kan een belastingverhoging worden toegepast in geval van niet-aangifte, laattijdige aangifte of onvolledige of onjuiste aangifte. Niettemin voorziet artikel 444, WIB92 dat de verhoging wordt berekend op het niet aangegeven of laattijdig aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen. Het aanvinken van het vakje van code 1754 heeft echter alleen invloed op het toepasselijke belastingtarief, maar wijzigt de belastbare grondslag niet. Bij afwezigheid van niet-aangegeven of laattijdig aangegeven inkomsten zal de overtreding dus rang innemen, maar zal er geen daadwerkelijke verhoging worden toegepast. Zoals hierboven aangegeven, heeft het arrest van het Grondwettelijk Hof waarnaar u verwijst, deze problematiek niet behandeld en is het dus niet relevant in dit geval. Bovendien is volgens artikel 444, derde lid, WIB 92, de mogelijkheid om af te zien van het minimum van 10 % verhoging bij afwezigheid van kwade trouw, een optie die aan de administratie wordt overgelaten: zij is niet verplicht om hiervan af te zien. 4. Het is voor mij moeilijk om een eenduidig antwoord te geven zonder alle noodzakelijke beoordelingscriteria. Volgens de jurisprudentie van het Hof van Cassatie is een materiële vergissing een feitelijke dwaling ten gevolge van een vergissing met betrekking tot het bestaan van materiële gegevens, zonder welke de aanslag geen wettelijke grondslag heeft. Een materiële vergissing heeft betrekking op rekenfouten, schrijffouten of andere grove fouten, die worden gemaakt onafhankelijk van enige juridische beoordeling. Een materiële vergissing staat dus tegenover de rechtsdwaling die een onjuiste beoordeling veronderstelt van de fiscale wet of een verkeerde toepassing ervan. Het is het onderzoek van het dossier dat moet uitwijzen of het gaat om een feitelijke dwaling of een rechtsdwaling. 5. De toepassing van een belastingverhoging kan niet beschouwd worden als een overbelasting zoals bedoeld in artikel 376, § 1 WIB 92. Een belastingverhoging van 10 % is de minimale bij wet opgelegde belastingverhoging, waarvan de administratie weliswaar kan afzien bij ontstentenis van kwade trouw. De al dan niet toepassing van een belastingverhoging van 10 % is het gevolg van een beoordeling door de taxatieagent waarbij de voorwaarden opgelegd door artikel 444 WIB 92 worden gerespecteerd, welke niet kan worden beschouwd als materiële vergissing, dubbele belasting of nieuw feit. De belastingverhoging kan enkel worden betwist door middel van een tijdig ingediend bezwaarschrift. Er wordt op gewezen dat in de komende programmawet, in uitvoering van het federaal regeerakkoord, er een wijziging voorzien is aan artikel 444 WIB 92 waarbij er geen belastingverhoging wordt toegepast bij een eerste te goeder trouw begane overtreding. Goede trouw wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, vermoed te bestaan bij de belastingplichtige die een eerste overtreding heeft begaan, behalve in geval van toepassing van artikel 351 WIB 92.
