Parlementaire vraag nr. 912 van mevrouw Pieters van 07.09.2005

VRAAG 05/912
Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 105, blz. 19240-19241
Veiligheids- en voorzichtigheidsclausules in akkoordverklaringen
VRAAG
Bij de afsluiting van belastingonderzoeken worden door de taxatieambtenaren akkoordverklaringen of aanslagprojecten opgesteld waarbij over het algemeen in al dan niet kleine lettertjes tal van veiligheids- en voorzichtigheidsclausules worden ingelast uitsluitend ten voordele van de belastingadministratie.
Meestal zijn zowel inzake vennootschapsbelasting als inzake personenbelasting daarin onder meer de volgende bewoordingen terug te vinden:
  • het gaat niet om een stilzwijgend en/of om een individueel akkoord in de zin van artikel 50, § 1, WIB 1992;
  • de akkoordverklaring is onherroepelijk;
  • het akkoord is onvoorwaardelijk tot stand gekomen;
  • het akkoord werd verleend met volle kennis van zaken;
  • de akkoordverklaring werd volledig vrij en ongedwongen ondertekend;
  • het betreft een akkoord of een overeenkomst over slechts een aanslagjaar of boekjaar;
  • bijkomende vaststellingen worden niet uitgesloten;
  • alle gegevens van de ingediende aangifte en/of van de aanslagbiljetten blijven ongewijzigd en definitief;
  • de clausule «gelezen en goedgekeurd» is verplichtend aan te brengen;
  • de formule «goed voor de som of belastbare basis van ... »;
  • het akkoord is opgesteld zonder enige nadelige erkentenis vanwege de administratie.
1. Is deze handelwijze en zijn al deze formuleringen voorgeschreven door fiscale en/of door andere wettelijke en/of reglementaire bepalingen ?
2. Zijn al die formuleringen, passages en bewoordingen geheel of gedeeltelijk strikt noodzakelijk en verplichtend opgelegd door de centrale administratie of door de regionale directeurs, managers of lokale diensthoofden?
3. Heeft de administratie reeds een uniforme modelakkoordverklaring ontworpen en bij instructie ter beschikking gesteld van al haar taxatieambtenaren?
4. Kan u punt per punt uw huidige wettelijke ziensen handelwijze meedelen onder meer in het licht van het grondwettelijke legaliteitsbeginsel, het openbare ordekarakter van de belastingen, het Burgerlijk Wetboek en van de bepalingen van artikel 333 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 05.01.2006)
Het antwoord op de door het geachte lid gestelde vragen luidt ontkennend.
Geen enkele wettelijke bepaling schrijft de vorm voor waarin het akkoord aan de belastingplichtige ter ondertekening moet worden voorgelegd. De vorm van het akkoord wordt overgelaten aan de beoordeling en de wil van de partijen.
In toepassing van het grondwettelijke legaliteitsbeginsel kan het akkoord van de belastingplichtige nopens een aanslag dat met de wet strijdig zou zijn geen uitwerking hebben.
Omtrent onderhavige problematiek verwijs ik het geachte lid tevens naar mijn antwoord op haar vraag nr. 956 van 19 maart 2002 ( Vragen en Antwoorden, Kamer, 2002-2003, nr. 142, blz. 17996).