Parlementaire vraag nr. 735 van de heer Vanoost van 31.01.1997

VRAAG 97/735
Bull. nr. 781, pag. 757
Vr. en Antw., Kamer, nr. 100, 1996-1997, blz. 13633-13634
Bankgeheim
VRAAG
In de Nederlandse krant De Volkskrant verscheen een advertentie van de Belgische bank Krediet aan de nijverheid, meer bepaald voor het filiaal in Merksplas, net over de grens met Nederland. In deze advertentie wordt gewag gemaakt van het perfecte bankgeheim in België.
In Nederland is sinds 1 januari 1997 een verstrengde wetgeving van toepassing. Personen die met bedragen over de grens trekken, moeten een belasting van 25 % betalen op de waardestijging die deze kapitaalexport met zich brengt.
1. Op welke wettelijke en andere regels berust in feite het bankgeheim in België?
2.
a) Welke inspanningen heeft de huidige regering reeds gedaan op Benelux- niveau om tot fiscale harmonisatie te komen?
b) Idem op Europees niveau.
3. Wat is de financiële opbrengst voor de Belgische Staat per jaar sinds 1990 van de belasting op kapitalen van Nederlandse staatsburgers in België?
4. Kunnen bedrijven in België worden vervolgd voor het aanzetten tot fiscale fraude in het buitenland, meer specifiek in Nederland?
5. Kan de betrokken advertentie in De Volkskrant volgens u worden beschouwd als een aanzet tot fiscale fraude of ontduiking?
ANTWOORD
Het geacht lid vindt hierna de elementen van antwoord op de verschillende onderdelen van zijn vraag.
1. Het bankgeheim wordt als dusdanig niet door enige specifieke wetgeving geregeld. Er zijn evenwel toepassingsgevallen terug te vinden in bepaalde fiscale bepalingen (zoals artikel 318 van het WIB, inzake inkomstenbelastingen).
2.
a) De fiscale harmonisatie op Benelux-niveau heeft slechts zin wanneer zij verruimd wordt in het kader van de Europese Unie.
b) Op Europees vlak bestaan de moederdochterrichtlijn en de richtlijn inzake fusies. Momenteel wordt een mogelijke uitbreiding van het toepassingsgebied van de moeder-dochterrichtlijn besproken, met name inzake een uitbreiding tot andere, vennootschapsvormen dan diegene die momenteel reeds in het toepassingsgebied zijn opgenomen.
In 1993 werd het debat inzake harmonisatie van de belastingen op het spaarwezen opnieuw opgenomen. Het Belgische standpunt terzake luidt dat een harmonisatie van de fiscaliteit inzake het spaarwezen op Europees vlak noodzakelijk is. Het dossier moet echter wel met realiteitszin worden benaderd, inzonderheid omdat de betrokken kapitaalbewegingen hoe, langer hoe gemakkelijker de buitengrenzen van de Europese Unie kunnen overschrijden. Ik blijf er dan ook voor pleiten dat elke harmonisatie desgevallend gepaard zou gaan met passende begeleidingsmaatregelen die de risico's van belastingontwijking en belastingfraude zoveel mogelijk inperken. Dit debat is momenteel nog niet afgerond.
Tevens dient te worden aangestipt dat onlangs op Europees niveau in het kader van de "Groep Fiscaal Beleid" ("Monti") besprekingen werden aangevangen betreffende het probleem van de fiscale concurrentie.
Tenslotte wens ik te verwijzen naar de werkzaamheden van de OESO waar speciale sessies met betrekking tot fiscale concurrentie ("Special sessions on tax competition") worden ingericht. De resultaten daarvan zullen naar verwachting in 1998 aan de Raad van de OESO worden voorgelegd.
3. De statistieken gehouden door de Administratie der directe belastingen laten me niet toe de door het geacht lid gestelde vraag te beantwoorden.
4 en 5. Het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bevat geen bepalingen om de in de vraag aangehaalde praktijken te bestraffen. Die praktijken vallen onder de toepassing van de wet van 14 juli 1991 op de handelspraktijken die onder de bevoegdheid ressorteren van mijn collega, de minister van Economie (Vraag nr. 270 van 8 oktober 1997).