Parlementaire vraag nr. 275 van de heer Steven Matheï van 03.03.2021

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2020-2021, QRVA 55/048 d.d. 21.04.2021, blz. 158

Nederlandse tweede pensioenpijler – Belastbaarheid

VRAAG (van de heer Matheï)

Op 5 maart 2018 werd door toenmalig minister Van Overtveldt een protocolakkoord gesloten over artikel 18 van het dubbelbelastingverdrag tussen België en Nederland. Dit behandelt de uit Nederland afkomstige aanvullende pensioenen van inwoners van België. Nederland heft geen belasting op uit Nederland afkomstig pensioen als België het pensioen feitelijk en voldoende belast. Ook zijn er afspraken gemaakt over de uitwisseling van informatie. De periodieke uitkeringen van de Nederlandse pensioenpijler worden in ons land gezamenlijk belast tegen het progressieve tarief en niet tegen een afzonderlijke aanslagvoet van 3 % op het kapitaal dat tot de periodieke uitkering heeft geleid. Naar verluidt zou uw administratie van oordeel zijn dat uitkeringen die voortkomen uit een collectieve aanvullende pensioentoezegging die in Nederland werd opgebouwd van een pensioenfonds in hun totaliteit belastbaar zijn als pensioen tegen het progressief tarief en niet tegen een afzonderlijke aanslagvoet. Verschillende belastingplichtigen die het niet eens zijn met deze manier van belastingheffing en naar de rechtbank stappen, krijgen gelijk en worden vervolgens niet aan het normale progressieve tarief belast. De Belgische Staat werd tot cassatie toe in het ongelijk gesteld. Maar de rechtspraak wordt enkel in individuele gevallen toegepast.

1. Kunt u toelichten waarom de periodieke uitkeringen van Nederlandse aanvullende pensioenen van inwoners van ons land worden belast aan het normale progressieve tarief en waarom uw administratie hierbij de bestaande rechtspraak niet volgt voor alle betrokken belastingplichtigen?

2. Kunt u toelichten of deze problematiek wordt meegenomen in de onderhandelingen met Nederland over het dubbelbelastingverdrag? Zo ja, welke standpunt zal ons land innemen? Zo neen, waarom niet?

ANTWOORD (van de Minister van Financiën)

1. Er is inderdaad een probleem met de rechtspraak waarnaar wordt verwezen.

Mijn administratie is het fundamenteel oneens met de zienswijze die de rechtbanken en hoven in dat verband ontwikkelen. Zo stellen de rechtbanken en hoven dat er een verschil is in fiscale behandeling van bijdragen die door de werkgever in het definitief en uitsluitend individueel voordeel van de werknemer worden gestort in uitvoering van een collectieve aanvullende pensioentoezegging opgebouwd via een pensioenfonds, naargelang die bijdragen vóór dan wel na de inwerkingtreding van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid (WAP) werden gestort. Die zienswijze is niet correct. De WAP heeft immers niets gewijzigd aan de fiscale behandeling van de beoogde bijdragen. Zowel de bijdragen gestort vóór als na de inwerkingtreding van de WAP maken, wat de collectieve aanvullende pensioentoezeggingen betreft, geen belastbaar voordeel van alle aard uit in hoofde van de werknemer. Het voorgaande blijkt duidelijk uit de voorbereidende werkzaamheden van de WAP (Kamer, Parl. Doc. 50 1340/ 007, blz. 21-23) en uit het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 14 november 2003 tot uitvoering van de WAP. De periodieke uitkeringen die voortkomen uit collectieve aanvullende pensioentoezeggingen die in het definitief en uitsluitend individueel voordeel van de werknemer via een pensioenfonds werden opgebouwd in Nederland zijn bijgevolg overeenkomstig het Belgisch intern recht gezamenlijk belastbaar tegen het progressieve tarief ongeacht of de bijdragen werden gestort vóór dan wel na de inwerkingtreding van de WAP. Datzelfde belastingstelsel zou overigens ook van toepassing zijn wanneer collectieve aanvullende pensioentoezeggingen die in België zijn opgebouwd zouden voorzien in een periodieke uitkering. Daarnaast oordelen de rechtbanken en hoven dat de uitkering van een collectieve aanvullende pensioentoezegging opgebouwd via een pensioenfonds (pensioenopbouw binnen de tweede pensioenpijler) moet worden gelijkgesteld met de uitvoering van een individueel levensverzekeringscontract (pensioenopbouw binnen de derde pensioenpijler) omdat de bijdragen door de werkgever in het definitief en uitsluitend individueel voordeel van de werknemer zijn gestort. Met deze kwalificatie kan evenmin akkoord worden gegaan. Om een einde te stellen aan deze discussie wordt momenteel de mogelijkheid onderzocht of een wetgevend initiatief een oplossing kan bieden voor deze problematiek. Tenslotte wordt opgemerkt dat de artikelen 17, § 1, 4° en 20 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) bepalen dat de lijfrenten die zijn aangelegd tegen storting met afstand van een kapitaal dat is gevormd, ofwel met bijdragen of premies als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°, WIB 92, ofwel, in het kader van een aanvullend pensioen voor zelfstandigen als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°bis en 2°ter, WIB 92, geen pensioenen zijn, maar beperkt tot 3 % van het afgestane kapitaal, inkomsten uit roerende goederen en kapitalen uitmaken. Die 3 % vormt de belastbare grondslag en wordt vervolgens overeenkomstig artikel 171, 3°, WIB 92, in principe belast tegen een afzonderlijke aanslagvoet van 30 %. Het gegeven dat het voor de toepassing van voornoemde artikelen moet gaan om de afstand van een kapitaal impliceert per definitie dat er aan de oorsprong een kapitaal wordt toegekend waarvan vervolgens afstand kan worden gedaan. De lijfrente die in een dergelijk geval wordt verkregen omvat twee elementen: enerzijds de terugbetaling van het afgestane kapitaal en anderzijds de opbrengst van dat afgestane kapitaal, zijnde een roerend inkomen. Dat roerend inkomen wordt beperkt tot 3 % van het afgestane kapitaal. In casu gaat het geenszins om de opbrengst van een afgestaan kapitaal, maar wel om de rechtstreekse en onmiddellijke uitkering van het aanvullend pensioen in de vorm van een rente (er is immers nooit de beschikking geweest over een aanvullend pensioenkapitaal). Een dergelijke situatie wordt niet beoogd door de voornoemde wettelijke bepalingen. Pensioenen die onmiddellijk onder de vorm van een rente worden uitgekeerd zijn steeds gezamenlijk belastbaar tegen het progressieve tarief.

2. De lopende onderhandelingen met Nederland hebben betrekking op alle artikelen van het bestaand dubbelbelastingverdrag, dus ook het artikel inzake private pensioenen en de belastingheffing van Nederlandse tweede pijler pensioenen. Gezien het vertrouwelijk karakter van de onderhandelingen kan ik u hierover geen verdere details mededelen.