Parlementaire vraag nr. 298 van mevrouw Veerle Wouters van 07.03.2013

Parlementaire vraag nr. 298 van mevrouw Veerle Wouters dd. 07.03.2013

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2013-2014, QRVA 53/158 dd. 25.04.2014, blz. 70

Onderkapitalisatieregel. - Cash-pooling activiteiten. - Netting

VRAAG (van mevrouw Wouters)

Voor het behoud van de cash-pooling activiteiten van multinationale groepen in België werd een uitzondering op de onderkapitalisatieregel ingevoerd voor de intresten betaald of toegekend in het kader van deze activiteiten.

1. a) Aangezien in praktijk cash-pooling-vennootschappen in het kader van het thesauriebeheer van de groep, geld tijdelijk beleggen bij een (verbonden) bank, waarom worden de intresten ontvangen of verkregen van zulke instelling bedoeld in artikel 56, §2, 2° WIB 1992 niet aangemerkt voor de netting?

b) Als intresten worden ontvangen van banken of vanuit belastingparadijzen, betekent dit toch dat belastbare inkomsten naar België worden gehaald?

2. Is een dagelijkse benadering van de berekening van de drempel van 5/1 voor de onderkapitalisatie verzoenbaar met het doel van het nettingregime?

3. Zo niet, dient de netting van de ontvangen en betaalde intresten in het kader van cash-pooling activiteiten over het gehele belastbare tijdperk te worden beschouwd?

4. Indien uw antwoord op vraag 2 bevestigend is, hoe verenigt u uw antwoord met de vereiste dat de drempel van 5/1 aan "besmette" leningen dagelijks moet worden toegepast?

5. Waarom gebeurt de netting alleen om de niet-aftrekbare intresten te bepalen en niet om de overschrijding van de drempel van 5/1 na te gaan?

ANTWOORD (van de Minister van Financiën)

Voor de toepassing van de onderkapitalisatieregel wordt wat betreft de financieringsverrichtingen die worden verricht in het kader van een raamovereenkomst voor gecentraliseerd thesauriebeheer binnen een groep, in hoofde van de vennootschap belast met dat gecentraliseerd beheer, enkel rekening gehouden met het positieve verschil tussen de aan de vennootschappen van de groep betaalde interesten en de van bepaalde vennootschappen van de groep ontvangen of verkregen interesten. Er wordt hierbij onder andere geen rekening gehouden met de interesten die worden ontvangen of verkregen van (tot de groep behorende) financiële instellingen in de zin van artikel 56, §2, 2° WIB92. Deze uitsluiting is logisch. Zij vormt het spiegelbeeld van het feit dat aan dergelijke instellingen betaalde interesten zonder meer buiten de onderkapitalisatieregel worden gehouden. Daarnaast wordt er voor de bepaling van dat positieve verschil (compensatie) geen rekening gehouden met de ontvangen of verkregen interesten van vennootschappen die niet aan de vennootschapsbelasting of aan een buitenlandse belasting van gelijke aard zijn onderworpen of die gevestigd zijn in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België (artikel 198, §4, lid2 WIB92). De onderkapitalisatieregeling heeft onder meer tot doel de aftrek van interesten te beperken wanneer die betaald worden naar belastingparadijzen. Het is dan ook verantwoord dat deze beperking niet ongedaan kan worden gemaakt door in de hier bedoelde regeling, de betaalde interesten te laten compenseren met interesten die precies vanuit dergelijke belastingparadijzen worden ontvangen. Wat betreft de referentieperiode van het in aanmerking te nemen bedrag van de "besmette" leningen kan worden verwezen naar het antwoord op de parlementaire vraag nr. 238 van 9 mei 1997 gesteld door de heer senator Caluwe waarin wordt verduidelijkt dat de bepalingen van artikel 198, § 1, 11°, WIB 92, zullen toepassing vinden zodra het totale bedrag van het saldo van de in aanmerking komende leningen, op enig ogenblik van de periode waarop de betaalde of toegekende interesten betrekking hebben, hoger is dan vijfmaal de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk, waarin die toekenning gebeurt (Vragen en Antwoorden, Senaat, zitting 1996-1997, nr. 1-51 van 5.8.1997, blz. 2582-2583). De leningen dienen bijgevolg in principe op dagelijkse basis te worden beoordeeld. Mijn administratie is evenwel bereid om voor de berekening van de te verwerpen interesten die betrekking hebben op bepaalde financieringswijzen, geval per geval, de mogelijkheid te onderzoeken of een berekening in functie van gemiddelden kan worden aanvaard. Het feit dat enkel in compensatie wordt voorzien om de niet-aftrekbare interesten te bepalen, vloeit voort uit de doelstelling van de bedoelde regeling.