Parlementaire vraag nr. 427 van de heer Loones van 15.06.1993

VRAAG 93/427
Bull. nr. 733, blz. 3513
Invordering - Beslag onder derden - Derde-houder - Vervolging tegen derde-houder
VRAAG
De fiscale procedure die het beslag onder derden regelt, houdt risico's in van grove onrechtvaardigheden.
Zonder enige tussenkomst van de rechtbank kan de fiscus derdenbeslag leggen. In geval de derde-beslagene niet op tijd reageert, wordt hij beschouwd als medeschuldenaar van de belasting.
Dit blijft zo, zelfs wanneer het derdenbeslag berust op een vergissing en de derde-beslagene, bijvoorbeeld ingevolge afwezigheid, niet tijdig heeft gereageerd.
Tegen deze vaste rechtspraak van bet Hof van cassatie worden door de commentatoren volgende argumenten gehanteerd :
1. De fiscale procedure, vastgelegd bij koninklijk besluit (art. 215 van het koninklijk besluit ter uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen) schendt de Grondwet vermits de belastingplichtige enkel door de fiscale wet kan worden aangeduid;
2. De hoofdelijkheid ingevoerd door het koninklijk besluit is strijdig met artikel 1202 van het Burgerlijk Wetboek, stellend dat hoofdelijkheid niet wordt vernoemd tenzij anders bepaald door de wet (dus niet koninklijk besluit);
3. Een foutief verstuurd beslagbericht houdt in hoofde van de ontvanger een fout in, leidend tot de aansprakelijkheidsregelen van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, en is minstens een schending van de regels van behoorlijk bestuur;
4. De procedure met de strikte beantwoordingstermijn van veertien dagen schendt de rechten van verdediging, en is dus strijdig met het Europees Verdrag over de rechten van de mens, ook toepasselijk in fiscale zaken volgens het Hof van Straatsburg.
Graag volgende vragen :
a) Is de geachte minister, op basis van deze argumentatie en/of andere, bereid de houding tegenover dergelijke onrechtvaardige beslagen onder derden aan te passen ?
b) Wat is het antwoord van de geachte minister op bovenvermelde argumentatie ?
ANTWOORD
Het geachte lid gelieve hierna antwoord te vinden op zijn vraag. De argumentatie is ontwikkeld in de volgorde van de opgeworpen zwarigheden.
1. Nopens de vermeende ongrondwettelijkheid van de procedure van beslag bepaald in artikel 215 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (KB/WIB).
Artikel 208 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB) - thans artikel 300, WIB 92 - geeft aan de Koning de macht de wijze te regelen waarop moet worden gehandeld over de aangiften, de opmaking van de kohieren en de kennisgeving ervan, de betalingen, de kwijtschriften en de vervolgingen.
Op grond van voormeld artikel heeft de Koning dus, zonder enige beperking, de bevoegdheid om voor de invordering van uitvoerbaar verklaarde kohieren een bijzondere procedure in het leven te roepen die kan en mag afwijken van de ter zake bestaande gemeenrechtelijke procedure. Zij moet nochtans beantwoorden aan de doelstelling van de inning en de vervolging voorzien in de wet, met name, de volledige betaling van de fiscale vorderingen.
Er bestaat een unanieme rechtspraak die aanvaardt dat de toepassing van het gemeen recht kan worden uitgesloten hetzij door een uitdrukkelijke bepaling van het belastingrecht, hetzij wegens de beginselen en de noodzakelijkheid eigen aan deze tak van het positieve recht [Cassatie (Cass.) 20 maart 1958, Pasicrisie (Pas.) 1958, I, blz. 805; Cass. 17 juli 1938, Pas. 1938, I, blz. 259; Cass. 9 juli 1931, Pas. 1931, I, blz. 218].
Ook de rechtsleer neemt aan dat een bijzondere wet primeert op een algemene wet (Lex specialis derogat lege generali) (Storme H., Algemene inleiding tot het recht, Kluwer, Antwerpen, 1978, blz. 87).
Artikel 67 van de Grondwet bepaalt dat de Koning de verordeningen en besluiten neemt die nodig zijn voor de uitvoering van de wetten, zonder ooit de wetten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen.
Daaruit vloeit voort dat de Koning moet optreden ter uitvoering van de wet (Mast A., Overzicht van het Belgisch grondwettelijk recht, Story- Scientia, Gent, 1981, blz. 301 tot 303).
Door het vastleggen van de bijzondere procedure, bepaald in artikel 215, KB/WIB, heeft de Koning gebruik gemaakt van de ruime mogelijkheden waarover hij beschikt, inzake de uitvoering van een wetsbepaling, zonder evenwel de draagwijdte ervan uit te breiden (Wigny, Droit constitutionnel II, blz. 648). De procedure van artikel 215, KB/WIB, beantwoordt volkomen aan de doelstelling van artikel 208, WIB, met name, de vervolging van aanslagen opgenomen in uitvoerbaar verklaarde kohieren.
Er zij tenslotte nog opgemerkt dat specifiek de wettelijkheid van de procedure beschreven in artikel 215, KB/WIB, wordt bevestigd door de rechtsleer (De Leval, G., La saisie-arrêt,1976, blz. 235, noot 88).
2.
Nopens de vermeende hoofdelijkheid
De algemeenheid van de termen waarin artikel 208, WIB (art. 300, WIB 92), is gesteld laat de Koning niet alleen toe een bijzondere procedure in het leven te roepen om wettelijke inningstitels rechtstreeks uit te voeren tegen de daarin opgenomen belastingschuldigen maar ook om deze titels onrechtstreeks, en dit zonder de tussenkomst van de rechterlijke macht, ten uitvoer te leggen tegen derden (Gent 15 september 1986, Bulletin der belastingen, Bull. 707, blz.1728). De Hem wettelijk toegekende bevoegdheid wordt evenmin overschreden door het instellen van een regeling met betrekking tot de sancties waaraan deze derden zich blootstellen, wanneer zij geen of onvoldoende gevolg geven aan de hen toegezonden aanmaningen met verzet tegen afgifte van inkomsten, sommen of zaken die laatst genoemden aan de vervolgde belastingschuldige verschuldigd zijn of die zij in zijn voordeel onder zich houden.
De bepalingen van artikel 215, § 5 KB/WIB, leggen hoger bedoelde sanctie vast. Deze sanctie betekent evenwel niet dat er ook hoofdelijkheid is aangezien andere wettelijke bepalingen van openbare orde bepaalde gevolgen van de hoofdelijkheid uitsluiten. Trouwens, in strijd met de beweringen van het geachte lid bedoelen de woorden "krachtens een bepaling van de wet" van artikel 1202 van het Burgerlijk Wetboek, niet enkel het geval waarin de hoofdelijkheid bij de wet zelf opgelegd is, maar ook het geval waarin zij bepaald worden bij een besluit of reglement genomen overeenkomstig de wet (Cass. 7 mei 1942, Pas. 1942, I, 117).
Bij toepassing van artikel 215, § 5, KB/WIB, kan de nalatige derde- houder, zonder tussenkomst van de rechter, op diens eigen goederen worden vervolgd krachtens de bestaande uitvoerbare titel, waarover de ontvanger ingevolge de uitvoerbaarverklaring van het kohier beschikt (Gent 15 september 1986, Bull. 707, blz.1728).
De autonomie van artikel 215, KB/WIB, is zowel door het Hof van cassatie als door meerdere hoven van beroep bij herhaling bevestigd door te stellen dat hij, die bij de ontvangst van een notificatie 247.7 niet voldoet aan de opgelegde verplichtingen, mag en moet worden vervolgd als rechtstreekse schuldenaar, zelfs indien hij bij ontvangst van de notificatie de hoedanigheid van derde-houder niet bezat (Cass. 27 december 1984, Bull. 644, blz. 2579; Cass. 19 december 1988, Bull. 697, blz. 2431; Gent 15 september 1986, Bull. 707, blz.1728; Luik 31 januari 1991, Revue de jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles 1991, blz. 696).
3. Nopens de eventuele aansprakelijkheid van de ontvanger. Er wordt uitgegaan van de veronderstelling dat het geachte lid met de term "beslagbericht" niet het bericht bedoelt voorgeschreven in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek (Ger.W), maar wel de bij ter post aangetekende zending, beoogd in het eerste lid van artikel 215, KB/WIB.
De fiscale notificatie, bedoeld in artikel 215, KB/WIB, wordt slechts toegezonden aan natuurlijke of rechtspersonen bij wie een aanduiding voorhanden is dat zij ten aanzien van de vervolgde belastingschuldige de hoedanigheid van derde-houder bezitten.
De derde-houder die een dergelijke notificatie 247.7 ontvangt, kan nooit onwetende zijn omtrent de op hem rustende verplichtingen. Alle ter zake geldende wettelijke bepalingen zijn immers op het formulier vermeld. Daarenboven is aan de notificatie een model toegevoegd van de verklaring, zoals die is omschreven in artikel 1452, Ger.W. Op dat model moeten enkel de gegevens, eigen aan het geval, worden ingevuld.
Zoals hoger reeds is aangehaald aanvaardt een constante rechtspraak dat hij die bij de ontvangst van een notificatie 247.7, niet voldoet aan de bij artikel 215, KB/WIB, gestelde verplichtingen, mag en moet vervolgd worden als rechtstreekse schuldenaar, zelfs indien hij bij de ontvangst van de notificatie de hoedanigheid van de derde-houder niet bezat.
Uiteraard staat het eenieder, die meent schade te hebben geleden ingevolge een optreden van de overheid, vrij de zaak aan de beoordeling van de rechter te onderwerpen.
4.
Nopens de termijn voor antwoord
De aandacht van het geachte lid wordt erop gevestigd dat in de tekst van artikel 215, § 4, KB/WIB, inzake het afleggen van de verklaring uitdrukkelijk wordt verwezen naar artikel 1452, Ger.W, alwaar de bekritiseerde termijn van vijftien dagen is vastgelegd.
De procedure van verklaring neergelegd in artikel 215, § 4, KB/WIB, is dus identiek aan deze van het gemeen recht. Trouwens zowel de rechtspraak als de rechtsleer vertogen unaniem dat artikel 6 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens niet toepasselijk is op rechten en verplichtingen die hun oorsprong vinden in het fiscaal recht :
  • Cass. 29 oktober 1971- Arresten van het Hof van cassatie (Arr. Cass.), 1972, blz. 227;
  • Cass. 8 september 1972 - Arr. Cass. 1973, blz. 28;
  • Cass. 8 april 1976 - Arr. Cass. 1976, blz. 913;
  • "Actuele problemen van fiscaal recht" - XVe Postuniversitaire cyclus, W. Delva, 1988-1989, blz. 29, nrs. 11 tot 13.
Men zou kunnen geloven dat het recente (niet-definitieve) vonnis, uitgesproken op 4 juni 1993 door de Rechtbank van eerste aanleg van Namen, dat besluit dat de inwerkingtreding van artikel 215, § 5, KB/WIB, niet in overeenstemming is met het Europees Verdrag van de rechten van de mens, er anders over beslist heeft.
Dat is hoegenaamd niet het geval; door immers te oordelen dat de bij artikel 215, KB/WIB, ingestelde verplichtingen van burgerlijke aard zijn en niet van fiscale aard strictu senso, besluit de rechter tot de toepassing van het voormelde verdrag.
Volledigheidshalve wordt nog aangestipt dat het voorontwerp van wet houdende het Wetboek van de fiscale procedure een bepaling bevat om de termijn, waarbinnen, na fiscale notificatie 247.7, de verklaring omschreven in artikel 1452, Ger.W, moet worden afgelegd, op één maand te brengen.