Parlementaire vraag nr. 83 van mevrouw Pieters van 06.11.2003
VRAAG 03/083
Vraag nr. 83 van mevrouw Pieters dd. 06.11.2003
Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr.61, blz. 9742-9745
Administratieve geschillenfilter
VRAAG
Overeenkomstig artikel 19, 2°, van het koninklijk besluit van 18 december 1998 (Belgisch Staatsblad van 31 december 1998, derde editie) werd binnen de nieuwe administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit (AOIF) de oprichting van aparte geschillendiensten (cf. artikel 8, 2°, van het koninklijk besluit van 6 juli 1997) die instaan voor de grondige behandeling van de betwistingen die opduiken in het kader van de door de polyvalente controlecentra uitgevoerde gezamenlijke verificaties van uitsluitend BTW-belastingplichtigen, uitdrukkelijk herbevestigd.
Ten tijde van de oprichting van de AOIF was de bevoegdheid van de ambtenaren die deel uitmaakten van die afdelingen "geschillen" van de controlecentra immers nog niet ingeschreven in de wet. Naar verluidt zou daarin nu blijkbaar wel enige wijziging zijn gekomen.
In het kader van de nieuwe fiscale cultuur, houdende vereenvoudiging van de fiscale procedure, en een doorzichtig en klantvriendelijk geschillenbeheer rijzen voor het publiek terzake de volgende algemene praktische vragen.
1.
2.
3.
4.
5. Mogen zij om trefzeker te zijn ter voorkoming van iedere willekeurigheid hun verzoekschriften rechtstreeks richten tot de bevoegde gewestelijke directeur of directeur of tot de aangestelde eerstaanwezend inspecteurs van de afdeling "geschillen" door tegelijkertijd een kopie van hun opmerkingen op BTW-correctieopgaven en op de berichten van wijziging van aangifte ook aan deze laatsten toe te zenden?
6. In welke concrete mate is het advies van die afdelingen "geschillen" zowel juridisch als hiërarchisch of administratief bindend voor alle onderzoekende BTW-en belastingtaxatieambtenaren van de AOIF en hun respectievelijke hoofden van dienst?
7. Welke interne permanente onderrichtingen en ministeriële circulaires overweegt u weldra uit te vaardigen om alle belastingplichtigen de afdoende garantie te bieden dat bij ieder blijvend geschil, zonder uitzondering, al hun opmerkingen en grieven behoorlijk worden onderzocht en "gefilterd" ter maximale voorkoming van bezwaarschriften en van een overbelasting van de fiscale rechtbanken (zie ook Com. IB nr. 346/ 11, tweede lid, en 346/67)?
8. Herbevestigt u de stelling expliciet dat de (geschillen)inspecteur zijn volle verantwoordelijkheid moet nemen en hij in geen geval zijn goedkeuring mag hechten aan aanslagen waarvan hij nopens de gegrondheid zelf niet persoonlijk volledig gerust is gesteld (zie parlementaire vraag in het Bulletin der Belastingen nr. 611/82, blz. 2776)?
9. Mag, gelet op het grondwettelijk principe van de scheiding der machten, ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift door de belastingplichtige geëist worden dat een ander en een volledig neutraal geschillenambtenaar zijn bezwaar onderzoekt en er binnen de zes maanden over beslist en zo neen, waarom die blijvende partijdigheid?
10. Kan u, punt per punt, uw nieuwe "algemene" ziens- en handelwijze meedelen, in het licht van alle algemene beginselen van een behoorlijk, onpartijdig, rechtszeker en doorzichtig openbaar bestuur en in het kader van het recent actieplan van de regeringscommissaris, dit uiteraard onder voorbehoud van de soevereine beoordeling door de hoven en rechtbanken?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 13.01.2005)
1, 2, 3, 4, 8 en 9. De in de vragen van het geachte lid aangehaalde problematiek komt uitvoerig en herhaaldelijk aan bod in een aantal vragen die door het geachte lid zelf alsmede door haar collega Geert Lambert reeds zijn gesteld.
Ik veroorloof mij dan ook te verwijzen naar de antwoorden verstrekt op die vragen.
De vragen worden vermeld in chronologische volgorde en betreffen allen vragen van uzelf, behoudens de vraag nr. 269 van 18 februari 2004 vanwege het geachte lid Geert Lambert:
5. Zowel inzake directe belastingen als inzake BTW dienen de gebruikelijke procedureregels toegepast te worden.
6. Normaliter wordt het verstrekte advies gevolgd. Strikt juridisch is het echter niet bindend.
7. Ik verwijs naar de circulaire van 18 september 2000, Ci.RH.863/570.827 en inzonderheid naar hoofdstuk 10 van die circulaire, die via Fisconet kan worden geraadpleegd.
9. Ik zie niet in hoe het beginsel van de scheiding der machten van toepassing zou kunnen zijn op de administratieve beroepsprocedure overeenkomstig de artikelen 366 tot 376, WIB 1992.
Vraag nr. 83 van mevrouw Pieters dd. 06.11.2003
Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr.61, blz. 9742-9745
Administratieve geschillenfilter
VRAAG
Overeenkomstig artikel 19, 2°, van het koninklijk besluit van 18 december 1998 (Belgisch Staatsblad van 31 december 1998, derde editie) werd binnen de nieuwe administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit (AOIF) de oprichting van aparte geschillendiensten (cf. artikel 8, 2°, van het koninklijk besluit van 6 juli 1997) die instaan voor de grondige behandeling van de betwistingen die opduiken in het kader van de door de polyvalente controlecentra uitgevoerde gezamenlijke verificaties van uitsluitend BTW-belastingplichtigen, uitdrukkelijk herbevestigd.
Ten tijde van de oprichting van de AOIF was de bevoegdheid van de ambtenaren die deel uitmaakten van die afdelingen "geschillen" van de controlecentra immers nog niet ingeschreven in de wet. Naar verluidt zou daarin nu blijkbaar wel enige wijziging zijn gekomen.
In het kader van de nieuwe fiscale cultuur, houdende vereenvoudiging van de fiscale procedure, en een doorzichtig en klantvriendelijk geschillenbeheer rijzen voor het publiek terzake de volgende algemene praktische vragen.
1.
| a) | In welke concrete wettelijke en/of reglementaire bepalingen is de taak of opdracht van de afdeling "geschillen" nu precies ingeschreven en nauwkeurig juridisch en administratief afgebakend? |
| b) | Zijn die beoogde nieuwe bepalingen van openbare orde? |
| c) | Op welke datum en vanaf welk aanslagjaar inzake directe belastingen en/of inkomstenjaar inzake BTW is die specifieke geschillenwet en wettelijke opdracht effectief officieel in werking getreden? |
| a) | Zijn de belastingplichtigen en/of hun gemandateerde raadgevers of boekhouders gerechtigd om zelf mondeling, telefonisch of schriftelijk te vragen of zelfs te eisen dat hun dossiers met blijvende betwistingen aan deze gespecialiseerde afdelingen en/of aan de AOIF-managers tot advies en tot beslissing zouden worden voorgelegd? |
| b) | Zo neen, welke wettelijke beletselen bestaan hiervoor nog steeds? |
| c) | Betekent dit terzelfder tijd zowel een voorlopige en/of tussentijdse verhaalmogelijkheid als een vorm van rechtszekerheid? |
| a) | Welke AOIF-manager of directielid, geschillenambtenaar en/of taxatieambtenaar moet in het kader van de wijzigingsprocedure inzake directe belastingen de kennisgeving versturen waarvan sprake in artikel 346, vijfde lid, WIB 1992 of artikel 352bis, WIB 1992? |
| b) | Bestaan er inzake BTW identieke wettelijke bepalingen en zo neen, waarom nog steeds niet? |
| a) | Tot welke hogere leidinggevende of toezichthoudende ambtenaren van de AOIF of van de Centrale Diensten kunnen de belastingplichtigen zich eventueel wenden wanneer de onderzoekende taxatieambtenaren en hun diensthoofden pertinent en/ of stilzwijgend weigeren op dergelijke verzoeken in te gaan? |
| b) | Is bij een blijvend niet-akkoord een doorgevoerde taxatie zowel "wettelijk", "behoorlijk" als "klantvriendelijk" te noemen wanneer het advies van de dienst geschillen voorafgaandelijk niet wordt ingewonnen en de wettelijk gewilde administratieve "filter" niet heeft kunnen of mogen werken? |
6. In welke concrete mate is het advies van die afdelingen "geschillen" zowel juridisch als hiërarchisch of administratief bindend voor alle onderzoekende BTW-en belastingtaxatieambtenaren van de AOIF en hun respectievelijke hoofden van dienst?
7. Welke interne permanente onderrichtingen en ministeriële circulaires overweegt u weldra uit te vaardigen om alle belastingplichtigen de afdoende garantie te bieden dat bij ieder blijvend geschil, zonder uitzondering, al hun opmerkingen en grieven behoorlijk worden onderzocht en "gefilterd" ter maximale voorkoming van bezwaarschriften en van een overbelasting van de fiscale rechtbanken (zie ook Com. IB nr. 346/ 11, tweede lid, en 346/67)?
8. Herbevestigt u de stelling expliciet dat de (geschillen)inspecteur zijn volle verantwoordelijkheid moet nemen en hij in geen geval zijn goedkeuring mag hechten aan aanslagen waarvan hij nopens de gegrondheid zelf niet persoonlijk volledig gerust is gesteld (zie parlementaire vraag in het Bulletin der Belastingen nr. 611/82, blz. 2776)?
9. Mag, gelet op het grondwettelijk principe van de scheiding der machten, ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift door de belastingplichtige geëist worden dat een ander en een volledig neutraal geschillenambtenaar zijn bezwaar onderzoekt en er binnen de zes maanden over beslist en zo neen, waarom die blijvende partijdigheid?
10. Kan u, punt per punt, uw nieuwe "algemene" ziens- en handelwijze meedelen, in het licht van alle algemene beginselen van een behoorlijk, onpartijdig, rechtszeker en doorzichtig openbaar bestuur en in het kader van het recent actieplan van de regeringscommissaris, dit uiteraard onder voorbehoud van de soevereine beoordeling door de hoven en rechtbanken?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 13.01.2005)
1, 2, 3, 4, 8 en 9. De in de vragen van het geachte lid aangehaalde problematiek komt uitvoerig en herhaaldelijk aan bod in een aantal vragen die door het geachte lid zelf alsmede door haar collega Geert Lambert reeds zijn gesteld.
Ik veroorloof mij dan ook te verwijzen naar de antwoorden verstrekt op die vragen.
De vragen worden vermeld in chronologische volgorde en betreffen allen vragen van uzelf, behoudens de vraag nr. 269 van 18 februari 2004 vanwege het geachte lid Geert Lambert:
- nr. 545 van 20 december 2000 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2002-2003, nr. 156, blz. 20067-20069);
- nr. 84 van 6 november 2003 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2003-2004, nr. 23, blz. 3502-3504);
- nr. 218 van 15 januari 2004 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2003-2004, nr. 26, blz. 4004-4006);
- nr. 269 van 18 februari 2004 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2003-2004, nr. 30, blz. 4625-4628);
- nr. 350 van 20 april 2004 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2003-2004, nr. 45, blz. 6885-6887);
- nr. 351 van 20 april 2004 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2003-2004, nr. 40, blz. 6207-6209).
5. Zowel inzake directe belastingen als inzake BTW dienen de gebruikelijke procedureregels toegepast te worden.
6. Normaliter wordt het verstrekte advies gevolgd. Strikt juridisch is het echter niet bindend.
7. Ik verwijs naar de circulaire van 18 september 2000, Ci.RH.863/570.827 en inzonderheid naar hoofdstuk 10 van die circulaire, die via Fisconet kan worden geraadpleegd.
9. Ik zie niet in hoe het beginsel van de scheiding der machten van toepassing zou kunnen zijn op de administratieve beroepsprocedure overeenkomstig de artikelen 366 tot 376, WIB 1992.
Bron: FisconetPlus
