Parlementaire vraag nr. 565 van mevrouw Veerle Wouters van 31.08.2012
Parlementaire vraag nr. 565 van mevrouw Veerle Wouters dd. 31.08.2012
Vragen en Antwoorden, Kamer 2011-2012, nr. 83 van 01.10.2012, blz. 313
Inkomstenbelasting
Aan de bron verschuldigde belasting
Roerend inkomen
Bijkomende heffing op roerende inkomsten
Toepassing van de administratieve circulaires
Toepassing van de fiscale wetten
Vraag
In de circulaire nr. Ci.RH.333/617.711 (AAFisc. Nr. 24/2012) dd. 2 juli 2012 verduidelijkt de administratie de toepassing van de bijkomende heffing van 4% op dividenden en intresten. Volgens de administratie is het de verkrijger toegestaan om slechts voor een gedeelte van effecten die recht geven op de toekenning van de inkomsten, te kiezen voor de inhouding aan de bron van de bijkomende heffing van 4%. De inkomsten van effecten waarvoor hij niet heeft gekozen voor de inhouding aan de bron, maken deel uit van een mededeling aan het centraal aanspreekpunt. De mogelijkheid om te kiezen voor de bijkomende heffing of voor een mededeling van de inkomsten aan het centraal aanspreekpunt wordt op verschillende wijze ingevuld door financiële instellingen.
1. Is het wettelijk toegelaten dat een financiële instelling automatisch de bijkomende heffing inhoudt indien de cliënt niet uitdrukkelijk kiest voor een mededeling aan het centraal aanspreekpunt?
2. Is het wettelijk toegelaten dat een financiële instelling de keuze door een cliënt voor de bijkomende heffing oplegt voor alle effecten aangehouden op eenzelfde effectenrekening?
3. Of, beschikt de houder van de effecten het recht om per effecten-"lijn" of zelfs voor een gedeelte van een aantal coupons van een effecten-'lijn' te kiezen voor de bijkomende heffing?
4. Over welke middelen beschikken kleine beleggers om de financiële instelling te verplichten slechts voor één effecten-"lijn" of voor een gedeelte van een aantal coupons van een effecten-"lijn" de bijkomende heffing in te houden zoals verduidelijkt in de aangehaalde circulaire?
5. Welke sancties kunnen worden opgelegd aan een financiële instelling wanneer zij in weerwil van de keuze van de cliënt voor de bijkomende heffing, deze niet inhoudt, en de dividenden of intresten meedeelt aan het centraal aanspreekpunt?
6. Welke sancties kunnen worden opgelegd aan een financiële instelling wanneer zij, in weerwil van de keuze van de cliënt voor de mededeling aan het centraal aanspreekpunt, de bijkomende heffing hierop inhoudt?
7. Welke sancties riskeert de cliënt, natuurlijk persoon, die geen aangifte doet van ontvangen dividenden en intresten waarvoor hij zijn financiële instelling verzocht de bijkomende heffing in te houden, maar die in weerwil hiervan handelde?
8. Kan een cliënt, die kiest voor de mededeling aan het centraal aanspreekpunt, op een andere wijze de onterecht ingehouden bijkomende heffing terugvorderen dan via de aangifte in de personenbelasting?
9. Zal door de houding van de financiële instellingen in praktijk de keuze om slechts de bijkomende heffing in te houden op een gedeelte van de inkomsten van een bepaald aantal coupons van effecten beperkt blijven tot de grootaandeelhouders van aandelen op naam van een vennootschap en niet voor de aandelen aangehouden op een effectenrekening?
Antwoord (van de heer Vanackere, Vice-eersteminister en minister van Financiën en Duurzame Ontwikkeling)
1.-4. Zoals ik reeds tijdens de bespreking van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen heb aangegeven heeft de verkrijger van de inkomsten de keuze per product (DOC 53 1952/010, blz. 27). Dit betekent dat de keuze moet worden uitgedrukt voor de inkomsten opgebracht door een effect of door een geheel van effecten dat duidelijk kan worden geïdentificeerd. Een belastingplichtige kan dus zijn financiële instelling de opdracht geven om de bijkomende heffing in te houden met betrekking tot alle of met betrekking tot een bepaald gedeelte van de beleggingen waarover hij al dan niet op een effectenrekening zou beschikken en die uiteraard in aanmerking komen voor de inhouding van de bijkomende heffing bovenop de roerende voorheffing. De financiële instelling moet in beginsel de roerende inkomsten bedoeld in de Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen toezenden aan het centraal meldpunt. Het is de keuze door de cliënt om de bijzondere heffing van 4 % in te houden die de financiële instelling ontslaat van de verplichting om de gevraagde gegevens aan het centraal meldpunt toe te zenden. Uit het overleg met de financiële instellingen blijkt dat alles in het werk gesteld wordt om een juiste toepassing van de wet van 28 december 2011 te bewerkstelligen. Het is tijdens de opstartfase echter denkbaar dat de financiële instelling een algemene policy heeft uitgewerkt. Deze algemene aanpak dient ondertussen echter vervangen te zijn door een systeem waarbij de keuze door de cliënt moet gemaakt worden per product en op het moment van de toekenning van de roerende inkomsten. Indien daarbij de financiële instelling zou handelen in strijd met de keuze die door de cliënt is uitgedrukt, kan deze laatste in principe gebruik maken van alle bepalingen van het gemeen recht om zijn rechten te vrijwaren.
5.-6. Met betrekking tot de toepassing van sancties kan worden medegedeeld dat overeenkomstig artikel 174/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) de financiële instelling verplicht is, afhankelijk van de keuze van de verkrijger van de inkomsten, ofwel bepaalde gegevens toe te zenden aan het centraal aanspreekpunt ofwel een bijkomende heffing op roerende inkomsten in te houden. Indien de financiële instelling geen enkel van voormelde plichten nakomt, kunnen de toepasselijke administratieve en/of strafrechtelijke sancties opgelegd worden. Zoals hiervoor reeds vermeld, kan de cliënt, verkrijger van de roerende inkomsten, gebruik maken van alle bepalingen van het gemeen recht om zijn rechten te vrijwaren, indien de financiële instelling zou gehandeld hebben in strijd met zijn keuze.
7. Zoals hierboven werd aangegeven is het zo dat indien de financiële instelling zou handelen in strijd met de keuze die door de cliënt is uitgedrukt, deze laatste in principe gebruik kan maken van alle bepalingen van het gemeen recht om zijn rechten te vrijwaren.
8. Vraag nummer acht lijkt mij eerder hypothetisch. Wanneer een belastingplichtige gekozen heeft voor mededeling aan het centraal aanspreekpunt zal er normaal gesproken geen bijkomende inhouding van 4% op zijn roerende inkomsten plaatsvinden. Indien zijn financiële instelling desondanks toch zou overgegaan zijn tot een bijkomende inhouding van 4%, dan kan de belastingplichtige met een bezwaarschrift de teruggave ervan vragen. De beslissing tot teruggave verhindert evenwel niet dat naar aanleiding van de aangifte in de personenbelasting toch opnieuw de bijkomende heffing van 4% toegepast moet worden indien de wettelijk bepaalde grenzen overschreden zijn.
9. In tegenstelling tot wat het geachte lid meent te veronderstellen geldt de keuzemogelijkheid per product zowel voor de grote beleggers in aandelen op naam van een vennootschap als voor alle andere verkrijgers van inkomsten die aan de bijkomende heffing zouden onderworpen willen worden en bijgevolg inzonderheid ook voor alle beleggers die aandelen aanhouden op een effectenrekening.
