Parlementaire vraag nr. 13 van de heer Steven Matheï van 29.10.2020

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2019-2020, QRVA 55/029 d.d. 02.12.2020, blz. 145

Inhouding van roerende voorheffing op royalty's uit Nederland.

VRAAG (van de heer Matheï)

Volgens artikel 12, paragraaf 1 van het dubbelbelastingverdrag (DBV) België-Nederland zijn royalty's van Nederlandse bron enkel in België belastbaar, zolang de uiteindelijk gerechtigde rijksinwoner van België is. Op dat principe bestaat wel een uitzondering voor die gevallen waarbij de rijksinwoner zich via een vaste inrichting (onderneming) of via een vaste basis (zelfstandig beroep) in Nederland aandient.

Door toepassing te maken van artikel 12, paragraaf 1 DBV België-Nederland komt de heffingsbevoegdheid dus uitsluitend België toe, wat maakt dat de Belgische wetgeving van toepassing is. Als we dan de artikelen 17, § 1, 5°; 37, tweede lid en 269, § 1, 4° WIB92 samenlezen, dan moet mijn inziens een Belgische financiële instelling effectief 15 % roerende voorheffing inhouden, wanneer het totaalbedrag van de toegekende royalty's zich beneden het maximum van 62.090 euro (aanslagjaar 2021) bevindt.

Echter in de praktijk wordt mij erop gewezen dat er financiële instellingen zijn die toch 30 % inhouden in plaats van 15 % op royalty's die het maximum van 62.090 euro niet overschrijden.

1. a) Is een Belgische financiële instelling verplicht om het daartoe wettelijk voorziene Belgische tarief van 15 % in te houden op Nederlandse royalty's, wanneer het totale bedrag van de royalty's niet meer bedraagt dan het maximum van 62.090 euro of is een Belgische financiële instelling ertoe gehouden het normale tarief van 30 % in te houden, waarbij dan de belastingplichtige het verschil van 15 % moet terugvorderen via de belastingaangifte?

b) Is uw antwoord hetzelfde voor alle DBV's die soortgelijke bepalingen bevatten inzake royalty's?

2. Kunt u verduidelijken of in het geval van Nederlandse royalty's (en bij uitbreiding buitenlandse royalty's) de tussenpersoon (Belgische financiële instelling) schuldenaar is van de Belgische roerende voorheffing op een royalty van buitenlandse bron op basis van artikel 261, eerste lid, 4° WIB92 of ligt die verplichting toch eerder bij de genieter van het inkomen?

ANTWOORD (van de Minister van Financiën)

Gezien het onderwerp van de vraag, wordt er verondersteld dat met het bedoelde begrip royalty's, de in artikel 17, § 1, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) vermelde verkregen inkomsten uit de cessie of de concessie van auteursrechten en naburige rechten, alsook van wettelijke en verplichte licenties die door een verkrijger rijksinwoner in België worden verkregen, hier worden bedoeld.

Op grond van artikel 269, § 1, 4°, WIB 92, is de aanslagvoet van de roerende voorheffing (RV) vastgesteld op 15 %, voor de eerste schijf van 37.500 euro (te indexeren bedrag) van de in het voormelde artikel 17, § 1, 5°, WIB 92, vermelde bruto inkomsten.

Indien de inkomsten uit auteursrechten van buitenlandse oorsprong worden geïnd op een rekening van de verkrijger in België, is, door artikel 261, eerste lid, 2°, WIB 92, de in België gevestigde tussenpersoon die op enige wijze tussenbeide komt bij de uitbetaling van dergelijke inkomsten de schuldenaar van de RV, behalve indien hem wordt bewezen dat een vorige tussenpersoon de RV heeft ingehouden.

In dit geval moet die tussenpersoon een aangifte in de RV nr. 273S indienen en de inhouding en de storting van die voorheffing binnen de 15 dagen na de betaalbaarstelling van de inkomsten uitvoeren.

In de praktijk moet die laatste dus tijdig worden geïnformeerd over de aard van de inkomsten uit auteursrechten die onder het begrip royalty's zouden vallen om haar in staat te stellen de verplichtingen na te leven die op haar rusten met betrekking tot de verschuldigdheid van de RV. Er wordt in dit verband aan herinnerd dat de bedoelde inkomsten kunnen genieten van een kostenaftrek (zie artikel 22, § 3, WIB 92 en artikel 4, 1° van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 92).

Indien de bedoelde tussenpersoon niet of niet tijdig wordt geïnformeerd over de aard van de toegekende inkomsten, zal door deze laatste, bij gebrek aan de noodzakelijke gegevens, een RV worden ingehouden tegen het aanslagtarief van 30 %.