Parlementaire vraag nr. 647 van mevrouw Veerle Wouters van 19.11.2015
Parlementaire vraag nr. 647 van mevrouw Veerle Wouters dd. 19.11.2015
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2015-2016, QRVA 54/069 dd. 14.04.2016, blz. 334
Buitenlandse uitzendkantoren. - Belgische inrichting. - 183-dagenregel
VRAAG (van mevrouw Wouters)
Wanneer een in het buitenland gevestigd uitzendkantoor, zonder materiële of personele vaste inrichting in België op regelmatige basis in het buitenland wonende uitzendkrachten uitzendt naar in België gevestigde klanten, en dat voor meer dan 30 dagen binnen een termijn van 12 maanden, rijzen er enkele vragen met betrekking tot de fiscale gevolgen voor gezegd uitzendkantoor.
1. Heeft het buitenlandse uitzendkantoor ten gevolge van de nieuwe bepaling van artikel 229, § 2/1, WlB92 een "Belgische inrichting"?
2. Hoe moeten de begrippen "voor eenzelfde of voor met elkaar verband houdende projecten" worden geïnterpreteerd indien het uitzendkantoor niet weet waar de inhuurder haar uitzendkrachten effectief zal tewerkstellen? Wat gebeurt er als die projecten elk minder dan 30 dagen duren?
3. Is de inschakeling van een uitzendkracht in een bouwonderneming een "uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of montagewerkzaamheden" in de zin van artikel 5 OESO-modelverdrag? Zo ja, leidt het uitzenden gedurende langer dan 12 maanden (of andere termijn afhankelijk van het toepasselijke dubbelbelastingverdrag) dan tot een principiële belastingheffing in de BNl-vennootschappen? Wat als het project de termijn van 12 maanden niet overschrijdt?
4. Moet het uitzendkantoor Belgische bedrijfsvoorheffing inhouden op de bezoldiging van haar uitzendkrachten, en zo ja, welk tarief moet zij dan hanteren en onder welke voorwaarden? Heeft het artikel 229, § 2/1, WIB92 een invloed op de inhoudingsplicht van bedrijfsvoorheffing?
5. Niet-inwoners die in België werken zijn hier in principe belastbaar, tenzij de drie voorwaarden van de 183-dagen regeling cumulatief zijn vervuld. In circulaire nr. AFZ 2005/0652 (AFZ 08/2005) van 25 mei 2005 wordt evenwel de inhuurder als materiële werkgever beschouwd. Wanneer de inhuurder dan de salariskost draagt per factuur die hij van het buitenlands uitzendkantoor ontvangt, is de tweede voorwaarde niet langer vervuld en is de werknemer belastbaar in België. Blijft de buitenlandse uitzendkracht hier belastbaar ook al verblijft hij minder dan 183 dagen in België?
6. Volgens de derde voorwaarde van de 183-dagen regeling mogen de beloningen niet ten laste komen van een vaste inrichting of een vaste basis, die de werkgever in de andere staat heeft. Werkt de internrechtelijke bepaling van artikel 229, § 2/1, WIB92 door op verdragsniveau? Indien het buitenlandse uitzendkantoor ten gevolge van meer dan 30 dagen dienstverlening geacht zou worden een Belgische inrichting te hebben, is de derde voorwaarde dan niet langer vervuld of is dit pas nadat de 12 maanden termijn (artikel 5, OESO-modelverdrag) is overschreden?
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
1. Gelet op de bewoordingen van artikel 229, § 2/1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), zoals ingevoegd door de Wet van 13 december 2012 houdende fiscale en financiële bepalingen, kunnen buitenlandse uitzendkantoren onder het toepassingsgebied van deze bepaling vallen. De terbeschikkingstelling van personen in België door die ondernemingen is een dienstprestatie die, wanneer ze loopt over een periode van minimum 30 dagen zoals bedoeld in dat artikel, een Belgische inrichting uitmaakt.
2. Vormt eenzelfde project, de terbeschikkingstelling van personeel bestemd voor de verwezenlijking van het maatschappelijk doel of de daadwerkelijke activiteit van de binnenlandse vennootschap die beroep doet op de diensten van het bedoelde interimkantoor. Bijgevolg heeft het geen belang waar de buitenlandse interimkrachten in België worden tewerkgesteld. Ik wil in dit verband ook opmerken dat de periode van 30 dagen louter slaat op het tijdperk waarin de dienstprestaties worden geleverd; noch het aantal interimkrachten dat ter beschikking wordt gesteld, noch hun eventuele vervanging heeft terzake belang.
3. De inschakeling van een uitzendkracht door een buitenlands uitzendkantoor in een in België gevestigde bouwonderneming of enige andere in België gevestigde onderneming zal in principe niet leiden tot het ontstaan van een vaste inrichting als bedoeld in artikel 5 van het OESO-modelverdrag in hoofde van het uitzendkantoor.
4. De bedrijfsvoorheffing is overeenkomstig artikel 270, 1°, WIB 92 verschuldigd door de in artikel 227 WIB 92 vermelde niet-inwoners voor wie de in artikel 30, 1° en 2°, WIB 92 bedoelde bezoldigingen, pensioenen, renten en toelagen die ze in België of in het buitenland betalen of toekennen, beroepskosten zijn in de zin van artikel 237 WIB 92. De in artikel 237, WIB 92 bedoelde kosten zijn de kosten die in aanmerking komen als beroepskosten en die uitsluitend op de overeenkomstig de artikelen 228 tot 231 WIB 92 in België belastbare inkomsten drukken. Wanneer de dienstverlening in België een Belgische inrichting uitmaakt in de zin van artikel 229, § 2/1, WIB 92, komen de daarmee verband houdende bezoldigingen van de in België tewerkgestelde werknemers als beroepskosten van die Belgische inrichting in aanmerking en drukken zij uitsluitend op de belastbare inkomsten van die Belgische inrichting. Ter zake volstaat het dat het gaat om een Belgische inrichting in de zin van artikel 228, § 2, 3° en 229, WIB 92. Het feit dat de Belgische inrichting in bepaalde gevallen niet als een vaste inrichting in de zin van de overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting zou kunnen worden aangemerkt, doet daaraan geen afbreuk. De verschuldigde bedrijfsvoorheffing is overeenkomstig artikel 273, 1°, WIB 92 opeisbaar uit hoofde van het betalen of toekennen van belastbare bezoldigingen. Overeenkomstig artikel 87, 1°, b van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 92 (KB/WIB 92) is vervolgens, behoudens de door de wet en door internationale overeenkomsten bepaalde vrijstellingen, de bedrijfsvoorheffing aan de bron verschuldigd op die bezoldigingen. De schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing is niet verplicht deze voorheffing in te houden en kan ervoor opteren om deze voorheffing ten laste te nemen, wat in hoofde van de werknemer een belastbaar voordeel uitmaakt. De schalen en regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen, zijn bepaald in de bijlage III KB/WIB 92, laatst volledig vervangen door het koninklijk besluit van 10 december 2014 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de bedrijfsvoorheffing (Belgisch Staatsblad van 16 december 2014, tweede editie). Voor niet-inwoners die voldoen aan de onder nr. 2.1.B van de voormelde bijlage gestelde voorwaarden, wordt de bedrijfsvoorheffing vastgesteld volgens Hoofdstuk II van diezelfde bijlage. Regel 2.20, b) (tarief van 11,11 %) kan dan ook van toepassing zijn, maar dit maakt geen verplichting uit. Er mag voor de hiervoor vermelde niet-inwoners eveneens worden geopteerd voor de toepassing van de andere regels opgenomen in Hoofdstuk II van die bijlage. Wat de andere niet-inwoners betreft, zijn de regels van Hoofdstuk V van die bijlage van toepassing. Wanneer de dienstverlening in België daarentegen geen Belgische inrichting uitmaakt in de zin van artikel 229, § 2/1, WIB 92, is er geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd aangezien het buitenlands interimkantoor in dat geval op geen enkele manier kan worden gekwalificeerd als een in artikel 270, 1°, WIB 92 bedoelde schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing.
5. Indien uit de feitelijke omstandigheden zou blijken dat de in België gevestigde inhuurder als materiële werkgever van de uitzendkracht dient te worden beschouwd en de in België gevestigde inhuurder de economische last draagt van de bezoldigingen, dan is de tweede voorwaarde inderdaad niet langer vervuld en zal de uitzendkracht belastbaar zijn in België, ongeacht het aantal dagen deze in België verblijft.
6. De internrechtelijke bepaling van artikel 229, §2/1, WIB 92 werkt niet door op verdragsniveau. Het is integendeel het verdragsrecht dat primeert op het intern recht. Het overschrijden van de 30-dagengrens bedoeld in voormeld artikel heeft dus geen invloed om te bepalen of er al dan niet een vaste inrichting aanwezig is. Er wordt nog opgemerkt dat de 12 maanden termijn, bedoeld in artikel 5 van het OESO-modelverdrag enkel van toepassing is om te bepalen of de plaats van de uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden al dan niet een vaste inrichting dient te worden beschouwd.
