Parlementaire vraag nr. 435 van de heer Lano van 19.07.2000

VRAAG 00/435

Vraag nr. 435 van de heer Lano dd. 19.07.2000

Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 152, blz. 19451-19457

Bull. nr. 842, pag. 2919-2927

Collectieve verzekering: ongeval - Ziekte en invaliditeit - Medische kosten

VRAAG

Door tal van grote vennootschappen wordt ten voordele van de bedrijfsleiders en de kaderleden een collectieve verzekering van het type "gemeen recht" afgesloten.

Het voorwerp van die collectieve verzekeringen betreft zowel een aanvullende wetsverzekering (excedentaire bezoldigingen) als een verzekering privé-leven voor de totale bezoldigingen.

Voor de aanvullende wetsverzekering bij een ongeval in het beroepsleven wordt in geval van overlijden meestal zeven maal de excedentaire bezoldiging uitgekeerd. Bij blijvende ongeschiktheid wordt normaliter veertien maal de excedentaire bezoldiging toegekend, terwijl bij tijdelijke ongeschiktheid 90 % van de gemiddelde dagbezoldiging wordt verleend gedurende een periode van maximum drie jaar. De terugbetaling van medische kosten is veelal begrensd tot 300 000 frank.

Bij de verzekeringen privé-leven worden dezelfde waarborgen en plafonds van de bezoldigingen toegepast, met dien verstande dat de bezoldigingen reeds vanaf de eerste frank in aanmerking worden genomen.

In geval van blijvende invaliditeit wordt aan de getroffenen rechtstreeks een "kapitaal" uitgekeerd. Die blijvende invaliditeit wordt als volledig aangemerkt van zodra de invaliditeitsgraad 67 % bereikt.

De behandelings- en ziekenhuiskosten worden gewaarborgd ten belope van de in de polissen voorziene bedragen.

1.

a) Vormen de betaalde of geboekte verzekeringspremies in hoofde van de vennootschap-werkgever een integraal aftrekbare beroepskost in de zin van de artikelen 49 en 52, 10°, WIB 1992?

b) Zo neen, om welke gegronde redenen niet?

c) Welk gedeelte of fragment dient eventueel onder welke gecodeerde rubriek van de "verworpen uitgaven" van het aangifteformulier aanslagjaar 2000 te worden opgenomen?

d) Zijn er andere specifieke fiscale begrenzingen toepasselijk analoog aan de klassieke 80 %-regel bij groepsverzekeringen?

e) Zo ja, welke?

f) Betreffen de bepalingen van artikel 52, 10°, WIB 1992 zowel bijdragen in verband met een "tijdelijke" als met een "blijvende" invaliditeit?

2. Welk taxatieregime inzake personenbelasting moeten de uitkeringen in kapitaal en dagvergoedingen ondergaan wanneer:

a) het ongeval zich voordeed:

  • tijdens de uitoefening van de beroepsactiviteit in dienst van de werkgever, met inbegrip van het woon-werkverkeer;
  • in de private sfeer voor of na de kantooruren;

b) de dagvergoedingen sommen betreffen wegens "tijdelijke" invaliditeit al dan niet met of zonder een daadwerkelijk verlies van beroepsinkomsten;

c) de uitkeringen in kapitaal sommen betreffen wegens een "blijvende" invaliditeit al dan niet met of zonder een effectief verlies van beroepsinkomsten ?

3. In welke precieze mate heeft de al dan niet geheel of gedeeltelijke aftrekbaarheid van de premies bij de vennootschappen-werkgevers een invloed op het belastingregime (vrijstelbaarheid of belastbaarheid) van de uitkering in kapitaal bij een blijvende invaliditeit?

4.

a) Is het arrest nr. 132/98 van het Arbitragehof van 9 december 1998 alhier van directe toepassing voor de aanslagjaren 2000 en vorige?

b) In welke mate en voor welke aanslagjaren kunnen er voor die bedrijfsleiders en loontrekkers ambtshalve ontheffingen van voorheffingen worden verleend ?

5. Welke bijzondere belastingverminderingen zijn op dergelijke uitkeringen in kapitaal of dagvergoedingen van toepassing?

6.

a) In welke gevallen en onder welke voorwaarden moet die uitkering in kapitaal op de speciale loonfiches nr. 281.11 of 281.14 door de verzekeringsmaatschappij spontaan fiscaal te worden omgezet in jaarlijkse fictieve rente?

b) Hoe lang is die fictieve rente, voor zover belastbaar, jaarlijks aan te geven?

7.

a) Door welke partij (belastingplichtige of de AOIF) dient bij een tijdige aangifte in de personenbelasting het al dan niet bestaan van een herstel van een daadwerkelijk verlies van "beroepsinkomsten" in rechte te worden bewezen voor het genieten van een andere of een gehele of gedeeltelijke belastingvrijstelling ?

b) Op welk ogenblik dient dit fiscaal bewijs te worden geleverd?

8. In welke gehele of gedeeltelijke mate vormen de terugbetalingen van alle medische kosten al dan niet een belastbare of een vrijstelbare materie in hoofde van de slachtoffers of hun rechthebbenden?

ANTWOORD (15.01.2003)

Het geachte lid gelieve hierna het antwoord te vinden op de door hem gestelde vragen.

1.

a) Vooreerst wens ik het geachte lid erop te wijzen dat in artikel 52, 10°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) de bijdragen worden bedoeld die werknemers en zelfstandigen vrijwillig storten om bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of invaliditeit een vergoeding ter aanvulling van de wettelijke uitkeringen te verkrijgen (zie eveneens het nummer 52/155 van de administratieve commentaar op het WIB 1992).

Uit de gestelde vragen meen ik evenwel te mogen afleiden dat de door het geachte lid bedoelde verzekeringspremies onder de toepassing van de artikelen 52, 3°, a) en 195, § 1, WIB 1992 vallen en door vennootschappen worden betaald om toekenningen te waarborgen ten voordele van bepaalde personen (met name kaderleden en bedrijfsleiders) in het kader van de in bedoelde wetteksten vermelde sociale verzekering of voorzorg.

De aandacht wordt erop gevestigd dat de bedoelde verzekeringscontracten steeds geval per geval moeten worden beoordeeld om definitief uit te maken of de premies al dan niet (volledig) als beroepskosten aftrekbaar zijn. Onder dit voorbehoud kan ik evenwel op principieel vlak het volgende meedelen.

De premies die door een vennootschap definitief worden gestort in het uitsluitend en inpidueel voordeel van bepaalde personeelsleden (kaderleden) of bedrijfsleiders moeten in beginsel als een aanvullende bezoldiging (voordelen van alle aard) worden beschouwd.

Bovendien moet, wat de aftrekbaarheid van de bedoelde verzekeringspremies betreft, de voor iedere dekking bestemde premie, ongeacht of die premie deel uitmaakt van één globaal verzekeringscontract, dan wel het voorwerp is van een afzonderlijk contract, afzonderlijk aan de terzake geldende fiscale regelgeving worden getoetst (principe van de transparantie). Dit houdt inzonderheid in dat (het gedeelte van) de premie die een vennootschap stort in het kader van een voor haar personeel (of een groep onder hen) gesloten collectieve verzekering tot terugbetaling van medische kosten als beroepskosten aftrekbaar is voor zover en in de mate dat de verzekerde toekenningen niet de aard hebben van tussenkomsten in uitzonderlijke omstandigheden. In dit laatste geval zijn de toekenningen voor de werknemers immers vrijgestelde sociale voordelen in de zin van artikel 38, eerste lid, 11°, WIB 1992, zodat de ermee verband houdende kosten overeenkomstig artikel 53, 14°, WIB 1992 niet als beroepskosten kunnen worden aangemerkt (zie eveneens het nummer 38/27 van de administratieve commentaar op het WIB 1992).

Daarnaast is (het gedeelte van) de premie van een collectieve verzekering dat door de vennootschap ten voordele van haar personeel (of een groep onder hen) is afgesloten tot waarborg van een inkomen bij overlijden of tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid als beroepskosten aftrekbaar.

Uit hetgeen voorafgaat volgt dat, in voorkomend geval, een uitsplitsing van de beoogde premies in voormelde zin onontbeerlijk is voor de aftrek (als beroepskosten) van het desbetreffende gedeelte door de betrokken vennootschap.

b) Dienaangaande verwijs ik het geachte lid naar het antwoord dat ik op vraag a) hiervoor heb verstrekt.

c) (Het gedeelte van) de premie dat ten name van de vennootschap desgevallend moet worden beschouwd als een verworpen uitgave moet, al naargelang het geval, worden opgenomen op de regel 038 "Sociale voordelen" of 042 "Andere (verworpen uitgaven)" van vak II van de aangifte in de vennootschapsbelasting.

d) en e) Artikel 195, § 1, 2e lid, WIB 1992 bepaalt inzonderheid uitdrukkelijk dat stortingen van sociale verzekering of voorzorg in de zin van artikel 52, 3°, a), WIB 1992 die door een vennootschap worden gedaan ten voordele van haar bedrijfsleiders slechts aftrekbaar zijn in zover zij betrekking hebben op bezoldigingen die regelmatig en ten minste om de maand worden betaald of toegekend vóó r het einde van het belastbare tijdperk waarin de ertoe aanleiding gevende bezoldigde werkzaamheden zijn verricht en mits zij door de vennootschap op de resultaten van dat tijdperk worden aangerekend.

f) Gelet op het verstrekte antwoord op vraag a) hiervoor, is deze vraag zonder voorwerp.

2.

a) De vergoedingen verleend ter uitvoering van een door de vennootschap ten voordele van haar bedrijfsleiders en/of werknemers collectief gesloten verzekeringscontract worden steeds als belastbare beroepsinkomsten aangemerkt ongeacht de omstandigheden waarin het ongeval zich voordeed.

b) Dergelijke vergoedingen wegens tijdelijke invaliditeit zijn belastbare bezoldigingen ongeacht of ze een derving van bezoldigingen vertegenwoordigen (artikel 23, § 1, 4°, WIB 1992).

c) Dergelijke uitkeringen wegens blijvende invaliditeit worden, ongeacht of ze een derving van bezoldigingen vertegenwoordigen aangemerkt als belastbare pensioenen in de zin van artikel 34, § 1, 1°, WIB 1992.

3. Het feit dat de collectieve verzekering door de werkgever of vennootschap is gesloten, volstaat voor de belastbaarheid van de uitkeringen. Of de premies met betrekking tot door de vennootschap ten voordele van haar bedrijfsleiders en/of werknemers gesloten verzekeringscontracten al dan niet in mindering worden gebracht van de winsten van de betrokken vennootschap doet geen afbreuk aan de belastbaarheid van de uitkeringen in hoofde van de bedrijfsleiders en/ of werknemers.

4.

a) Het arrest nr. 132/98 van het Arbitragehof van 9 december 1998 (en de wet van 19 juli 2000 tot wijziging van de artikelen 34, § 1, en 39, WIB 1992) heeft enkel betrekking op vergoedingen die werden toegekend in het kader van de wetgeving op arbeidsongevallen en is bijgevolg niet van toepassing op de door het geachte lid bedoelde verzekeringscontracten.

b) Gelet op het antwoord op vraag 4, a), is deze vraag zonder voorwerp.

5. De belasting met betrekking tot pensioenen en vervangingsinkomsten wordt verminderd overeenkomstig artikel 147, 1° en 2°, WIB 1992.

6.

a) Terzake worden enkel de uitkeringen in kapitaal die de aard hebben van een vergoeding tot geheel of gedeeltelijk herstel van een bestendige derving van beroepsinkomsten, voor de vaststelling van de belastbare grondslag overeenkomstig artikel 169, WIB 1992 in een lijfrente omgezet, aan de hand van één van de coëfficiënten opgenomen in artikel 73 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 1992. De aldus vastgestelde lijfrente moet achter de kenletter "R" van de fiche 281.14, worden opgenomen.

b) Deze omzettingsrente wordt voor elk belastbaar tijdperk gezamenlijk met de andere inkomsten belast vanaf de dag waarop het kapitaal is betaald of toegekend:

  • gedurende tien jaar wanneer voormelde coëfficiënt van 5% van toepassing is, dit wil zeggen wanneer de verkrijger 65 jaar of ouder is op het ogenblik van de betaling of toekenning van het kapitaal;
  • gedurende 13 jaar wanneer voormelde coëfficiënt minder dan 5% bedraagt.

De omzettingsrente wordt evenwel voor de laatste maal belast voor het belastbaar tijdperk waarin de verkrijger is overleden wanneer dit overlijden plaatsvindt vóór het verstrijken van de periode van 10 of 13 jaar.

7. Gelet op het antwoord op vraag 4, a), is deze vraag zonder voorwerp.

8. Enkel de tussenkomsten die voortvloeien uit een verzekeringspolis van het type "gezondheidszorgen" of "opneming in ziekenhuis" die slechts tussenkomsten in uitzonderlijke gevallen dekt (bijvoorbeeld zware ziekte, ongeval of heelkundige bewerking), behoren tot de sociale voordelen die vrij zijn van belasting bij de genieter in toepassing van artikel 38, 1e lid, 11°, WIB 1992.

Op artikel 38, 1e lid, 11°, WIB 1992, kan evenwel niet worden gesteund om de algemene en systematische terugbetalingen van de kosten van gezondheidszorgen vrij te stellen van belasting. Het begrip sociaal voordeel moet immers derwijze worden opgevat dat het niet tot gevolg mag hebben dat aan personeelsleden verleende systematische voordelen, aan elke belasting ontsnappen.