Parlementaire vraag nr. 212 en nr. 9 van mevrouw Pieters van 13.01.2004
VRAAG 04/212
Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 33, blz. 5124-5130
Gezamenlijke verificaties - Verplaatsing van boeken en bescheiden - BTW-controle
VRAAG
Uit fiscale persberichten blijkt dat door vele Vlaamse en andere controlecentra en klassieke belastingdiensten overal te lande bij de kleine zelfstandigen thans zeer algemeen de controleformule van de zogenaamde "plusjes" wordt toegepast.
Van de belastingplichtigen (natuurlijke personen) en/of van hun boekhouders wordt met zachte dwang telefonisch of ter plaatse geëist dat zij alle beroepsmatige en gemengde financiële rekeningen naar het belastingkantoor en/of controlecentrum zouden brengen of meegeven zonder dat er noch door de belastingambtenaren noch door de BTW-ambtenaren ook maar enig ontvangstbewijs wordt afgeleverd.
Daarenboven worden die boekhoudkundige stukken meestal voor zeer lange tijd op de fiscale diensten (AOIF, BTW-), behouden en blijkbaar ook niet veilig achter slot bewaard.
In geval van pertinente weigering worden dan zelfs af en toe met drie of meer belasting- en BTW-ambtenaren gezamenlijk ter plaatse bij de belastingplichtigen en/of bij de boekhouders alle "positieve" inschrijvingen of creditverrichtingen handmatig of met de draagbare computer samengeteld. Soms vormt die massale en ostentatieve aanwezigheid ter plaatse voor die kleine zelfstandigen een ernstige belemmering bij de uitoefening van hun dagelijkse beroeps- en winkelactiviteiten.
Het verschil tussen het totaal van al die "positieve" bankgegevens en het aangegeven zakencijfer wordt inzake personenbelasting zonder enige motivering zomaar integraal als "meeromzet" tegen het hoogste BTW-tarief belast voor een bedrag BTW-inclusief.
Het is wellicht duidelijk dat het hier hoe dan ook gaat om willekeurige en roekeloze onderzoekingen en taxaties uitgevoerd met schending van de bepalingen van de artikelen 315, 315bis en 340 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Het betreft hier immers een lukrake opeenstapeling of cascade van losse vermoedens en eenvoudige veronderstellingen gesteund op onrechtmatig verkregen of ingezameld bewijsmateriaal. Daarnaast krioelen dergelijke fiscale afrekeningen meestal van dubbeltellingen, telfouten en van tal van andere materiële misslagen, vergissingen en onjuistheden.
De daaruit voortvloeiende aanslagen inzake personenbelasting zijn zonder meer "nietig" en arbitrair. Die nietigheid geldt evenzeer voor de correctie-, regularisatieen naheffingsopgaven en processen-verbaal inzake BTW-.
1. Wat is omtrent deze gezamenlijke onderzoekspraktijken uw huidige moderne doch wettelijke zienswijze zowel op het vlak van de BTW als op het stuk van de personenbelasting?
2. Met welk recht mogen alle taxatie-ambtenaren zowel van belasting- als van BTW-oorsprong al die kwestieuze bankrekeninguittreksels zonder de uitreiking van een "ontvangstbewijs" en zonder de afgifte van een gedetailleerde inventaris van de opgeëiste stukken ettelijke maanden op het belasting- en/of BTW-kantoor of controlecentrum wederrechtelijk behouden?
3. Wat is terzake de toezichthoudende filteropdracht van de verantwoordelijke managers van zowel de centrale diensten als van de buitendiensten en de adviserende taak van de afdelingen Geschillen en eerstaanwezend inspecteurs A?
4. Moeten op het vlak van de personenbelasting in het kader van de nieuwe fiscale cultuur en de actieve en passieve openbaarheid van bestuur de belastingplichtigen voortaan niet veeleer steeds voorafgaandelijk schriftelijk worden ingelicht over het bestaan van de wettelijke bepalingen van de artikelen 315 en 315bis WIB 1992 en van het nr. 315/9 van het administratief commentaar op ditzelfde Wetboek van de Inkomstenbelastingen ?
5. Bestaan er inzake directe belastingen identieke wettelijke en reglementaire bepalingen of interne algemene instructies die de uitreiking van een "ontvangstbewijs " praktisch regelen zoals inzake BTW (cf. artikel 61, § 2, van het BTW-Wetboek)?
6. Kunt u punt per punt in het licht van de wettelijke en reglementaire bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en het BTW-Wetboek op principieel vlak uw algemene ziens- en handelwijze meedelen mede gezien in het kader van een klantvriendelijk, performant, onpartjdig en behoorlijk fiscaal bestuur?
ANTWOORD (minister van Financiën, 25.05.2004)
1, 2 en 5. Wat de inkomstenbelasting betreft
De door het geachte lid aangehaalde onderzoekspraktijk is gebaseerd op artikel 340 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992). Krachtens dit artikel beschikt de administratie over alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzonderingen van de eed, om het bestaan en het bedrag van de belastingschuld te bepalen. Het bewijs door vermoedens is één van die middelen. Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. Het is een redenering waardoor men, uitgaande van bekende en geverifieerde gegevens, ertoe komt andere gegevens, die niet of onvoldoende bekend waren, voor zeker te houden. Te dien einde kan, op grond van de bepalingen van artikel 315, WIB 1992, de belastingplichtige verzocht worden zijn boeken en bescheiden, waaronder de bankbescheiden, zonder verplaatsing voor te leggen. De aanslagambtenaar mag niet eisen dat boekhoudkundige stukken naar de kantoren van de administratie zouden worden gebracht of, a fortiori, dat ze er eenvoudig zouden worden afgegeven met het oog op een latere bespreking.
Indien een aanslagambtenaar vraagt om bepaalde stukken ten kantore voor te leggen, is dit in de regel enkel ingegeven door de bekommernis om het dossier met een maximum aan informatie binnen een zo kort mogelijke tijdsperiode af te handelen.
Stemt de belastingplichtige hiermee in en verzoekt hij uitdrukkelijk om een ontvangstbewijs, dan dient de betrokken ambtenaar hem een dergelijk bewijs te overhandigen.
Wat de belasting over de toegevoegde waarde betreft
Zoals hierboven vermeld, kan de taxatieambtenaar inzake directe belastingen op basis van artikel 340, WIB 1992, via een analyse van de financiële rekeningen een vermoedelijk ontvangstencijfer bepalen dat dan met de aangegeven omzet wordt vergeleken.
Op grond van artikel 59 van het BTW-Wetboek is de met BTW-controle belaste administratie gerechtigd om de taxatie ondernomen inzake directe belastingen, als bewijs door menselijke vermoedens, in te roepen om het belastbaar omzetcijfer inzake BTW te bepalen, telkens wanneer er kan worden vermoed dat de supplementaire inkomsten voortvloeien uit een aan de BTW onderworpen economische activiteit en dat die inkomsten niet begrepen geweest zijn in het voor die belasting aangegeven omzetcijfer.
In principe blijft de BTW zonder invloed op de resultaten van een onderneming. Dat belet evenwel niet dat de door een belastingplichtige geïnde en wederrechtelijk niet aan de Schatkist betaalde BTW een bestanddeel van het belastbare beroepsinkomen vormt. Wanneer wordt vastgesteld dat aan de BTWonderworpen leveringen van goederen of diensten niet werden aangegeven, moet in de regel worden aangenomen dat de belastingplichtige, boven het bedrag van die leveringen, eveneens de normaal daarop verschuldigde BTW aan zijn klanten heeft aangerekend.
Dat houdt in dat, voor het belastbare tijdperk waarvoor die vaststelling wordt gedaan, de aangegeven inkomsten niet alleen moeten worden verhoogd met de winst op die leveringen of diensten maar eveneens met de BTW die, rekening houdend met het toepasselijk tarief, wettelijk op die leveringen of diensten verschuldigd is.
Die regel is van toepassing ongeacht de wijze waarop de verdoken ontvangsten worden vastgesteld (ontdekking van niet in de rekeningen opgenomen facturen, taxatie op grond van vermoedens - inbegrepen de taxatie bij vergelijking - enz.). Er mag van die regel slechts worden afgeweken wanneer de belastingplichtige het bewijs levert dat de normaal verschuldigde BTW geheel of gedeeltelijk niet werd aangerekend aan zijn klanten of wanneer het, gelet op de voorhanden zijnde feitelijke gegevens, als vaststaand kan worden aangenomen dat die aanrekening niet gebeurde.
Krachtens het wettelijk vermoeden ingelast in artikel 64, § 3, van het BTW-Wetboek mogen deze niet aangegeven handelingen, behoudens tegenbewijs, tegen het hoogste BTW-tarief worden belast.
Wanneer de belastingplichtige zijn rekening voor privé- en beroepsdoeleinden gebruikt, mogen al de verantwoordingsstukken (periodieke uittreksels, debet- en creditberichten, verantwoordingsstroken, afschriften van opdrachten, enz.) van de op die rekening uitgevoerde verrichtingen door de administratie worden ingezien. Enkel die bescheiden maken het immers mogelijk het privé- of professioneel karakter van de verrichtingen te bepalen.
Bij toepassing van artikel 61, § 1, van het BTW-Wetboek, is elke belastingplichtige gehouden tot voorlegging van de bankrekeninguittreksels - documenten beoogd door de bewaringsverplichting van artikel 60 van het BTW-Wetboek - aan de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft.
Deze uittreksels moeten zonder verplaatsing ter inzage worden voorgelegd teneinde de juiste heffing van de belasting in hoofde van de belastingplichtige of in hoofde van derden te kunnen nagaan.
In principe worden de in artikel 61, § 1, van het BTW-Wetboek bedoelde boeken en stukken bijgevolg niet meegenomen door de ambtenaren of door de belastingplichtigen naar het controlekantoor gebracht. Echter, teneinde de duur van de aanwezigheid van de ambtenaren in de lokalen van de onderneming te beperken en met het oog op een vlotte afhandeling van de controle, kunnen deze boeken en stukken toch worden meegenomen of naar kantoor gebracht, hetzij op vraag van de ambtenaar, hetzij op vraag van de belastingplichtige. Hierbij is de belastingplichtige steeds vrij een ontvangstbewijs te vragen. Uiteraard mag deze werkwijze door de controlerende ambtenaren niet aan de belastingplichtige worden opgelegd.
De hiervoor beoogde voorleggingsplicht mag echter niet worden verward met het inhoudingsrecht beoogd in artikel 61, § 2, van het BTW-Wetboek. Overeenkomstig laatstgenoemd artikel hebben de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, het recht om de bankrekeninguittreksels, tegen afgifte van een ontvangstbewijs te behouden, telkens wanneer zij menen dat deze documenten de verschuldigdheid van een belasting of een geldboete in hoofde van de betrokkene of van derden aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen.
De rekeninguittreksels mogen bijgevolg door de controlerende ambtenaren worden meegenomen of door de belastingplichtige naar kantoor gebracht, tegen afgifte van een ontvangstbewijs waarop de ontvangen of meegenomen stukken worden geïnventariseerd. Bovendien moeten deze ambtenaren aan de belastingplichtige de elementen kenbaar maken die hen toelaten te concluderen dat uit deze documenten een verschuldigde belasting of geldboete blijkt. Dit inhoudingsrecht heeft tot doel de taak van de administratie te vergemakkelijken en in het bijzonder om de gegrondheid van de vordering in rechte te bewijzen. Bijgevolg kan de administratie deze rekeninguittreksels inhouden gedurende een tamelijk lange termijn, zelfs in voorkomend geval tot bij de afsluiting van de rechtszaak.
Aangezien het geachte lid met haar vraag, zowel wat de inkomstenbelastingen als de BTW betreft, blijkbaar een concreet geval beoogt, met betrekking tot willekeurige en roekeloze onderzoekingen en taxaties, die zouden zijn gesteund op onrechtmatig verkregen of ingezameld bewijsmateriaal, nodig ik haar uit mij de nodige gegevens mee te delen zodat mijn administratie de situatie ten gronde kan onderzoeken.
3. De gebruikte werkmethoden voor het onderzoek van de fiscale toestand van een belastingplichtige worden door de taxatieambtenaar bepaald binnen de grenzen van de hem verleende onderzoeksbevoegdheden en onder toezicht van de dienstleider. Deze laatste, alsmede de toezichtsambtenaren moeten waken over het goede verloop van de verificatiewerkzaamheden. Zij moeten oog hebben voor de vastgestelde of gesignaleerde gebreken en moeten maatregelen nemen om deze te verhelpen.
Bij blijvende niet-akkoorden ingevolge een controle uitgevoerd door een klassieke dienst is het de bevoegde leider van de taxatiedienst die de beslissing tot eventuele taxatie neemt. Ingeval van blijvend niet-akkoord inzake dossiers behandeld door een team van een controlecentrum, zal de afdeling V van het controlecentrum de betwistingen, die ontstaan vóó r de definitieve vestiging van de belasting, onderzoeken en advies hieromtrent verstrekken.
4. De commentaar op het WIB 1992 met betrekking tot artikel 315 over het niet-verplaatsen van bescheiden is duidelijk en goed gekend door de betrokken ambtenaren. Ik acht het niet nuttig nu de huidige procedures te wijzigen.
6. Ik verwijs naar de voorgaande antwoorden.
Bron: FisconetPlus
