Parlementaire vraag nr. 223 van de heer Breyne van 11.01.1996

VRAAG 96/223

Vraag nr. 223 van de heer Breyne dd. 11.01.1996

Bull. nr. 762, pag. 1318

Vissersvaartuigen - Sloping - Beëindigingspremies.

Een aantal rederijen hadden enkele jaren geleden een beëindigingspremie bekomen voor het slopen van hun vissersvaartuig. Deze premie kaderde in het meerjarig oriëntatieprogramma (MOP) voor de Belgische vissersvloot voor de periode 1993-1996. De EU-lidstaten moesten maatregelen nemen op grond van artikel 8 van EG-verordening nr. 3699/93 van de Raad van 21 december 1993 om de doelstellingen van het MOP te bereiken. Dit bestond erin de visserij-activiteiten van de vaartuigen te beperken of definitief te beëindigen. Het Vlaams Gewest heeft ingespeeld op de mogelijkheid om de definitieve beëindiging van vissersvaartuigen te stimuleren door toekenning van beëindigingspremies.

De rederijen hebben deze ontvangen premies, als belastingplichtigen ook aangegeven. Ze opteerden voor het gespreid belastingsstelsel van kracht geworden sinds 1 januari 1990, dat erin bestaat dat de meerwaarde wordt aangegeven aan hetzelfde ritme als waarmee "de wederbelegging" wordt afgeschreven.

Nu roept de belastingadministratie artikel 47, § 1 en 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 in om de gespreide belasting te verwerpen en de meerwaarde onmiddellijk in zijn geheel te belasten. Artikel 47, § 1, bepaalt dat de gespreide belasting enkel kan toegepast worden indien de overdracht een gedwongen karakter heeft. Op grond van artikel 10 van EG-verordening nr. 3699/93 werd de Vlaamse regering gedwongen deze maatregelen te nemen omdat er in sancties voorzien was als de lidstaten een te grote vissersvloot zouden handhaven en België zo geen subsidies meer zou krijgen. Artikel 47, § 2, vereist dat er een "verkoop" moet plaatsvinden. De rederijen werden betaald om hun schip te slopen en moesten hun vislicentie indienen. Beide partijen dienden zich aan het contract te houden. Men kan dus spreken van een contract "ten bezwarende titel" of verkoop. De rederijen kregen immers een som geld. De voorwaarden om te voldoen aan artikel 47, § 1 en § 2, zijn dus wel vervuld. Bovendien voorziet de Nederlandse fiscale wetgeving in een gunstig regime en het gaat hierbij om dezelfde Europese premie. Daarenboven kunnen de Nederlanders in België herinvesteren, wat omgekeerd niet mogelijk is. Dit zou dus leiden tot concurrentievervalsing.

Bent u van oordeel dat dit spreidingsregime wel toegestaan moet worden zodat de rederijen een gelijkaardig regime kunnen genieten als bijvoorbeeld hun Nederlandse collega's, die bovendien hun eerste concurrenten zijn ? Dit zou ten goede komen aan het principe van eerlijke concurrentie voor een sector die het momenteel heel moeilijk heeft.

ANTWOORD

De door het geacht lid beoogde beëindigingspremies die zijn toegekend aan belastingplichtIgen die hun vaartuig, op vrijwillige basis, definitief aan de zeevisserij hebben onttrokken, hetzij door het vaartuig te slopen, hetzij door het vaartuig over te brengen naar een land dat geen lid is van de Europese Unie, hetzij door het vaartuig in de wateren van de Europese Unie een andere bestemming te geven dan de zeevisserij, moeten op fiscaal vlak worden aangemerkt als in artikel 25, 60, a), of 28, eerste lid, 30, a, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) bedoelde vergoedingen verkregen ter compensatie of naar aanleiding van enige handeling die een vermindering van de beroepswerkzaamheid of van de winst van de onderneming tot gevolg kan hebben.

Welnu, dergelijke vergoedingen komen niet in aanmerking. voor de toepassing van het in artikel 47 WIB 92 beoogde stelsel van gespreide belasting; dit stelsel heeft immers uitsluitend betrekking op meerwaarden op immateriële en materiële vaste activa.