Parlementaire vraag nr. 357 van de heer Dalem van 22.04.1993

VRAAG 93/357

Vraag nr. 357 van de heer Dalem dd. 22.04.1993


Bull. nr. 734, blz. 148

Ruling - Commissie voor voorafgaande fiscale akkoorden

VRAAG

In onze belastingwetgeving wordt steeds strenger opgetreden tegen verschillende vormen van rechtsmisbruik waardoor bepaalde belastingen abnormaal verminderd worden. Aan de hand van steeds meer teksten wordt van de belastingplichtige een doorgedreven fiscale burgerzin geëist.

Zou men aan de belastingplichtige in ruil voor deze nieuwe druk dan ook geen ruimere rechten of waarborgen moeten verschaffen ?

Kan de geachte minister mij laten weten of er ten aanzien van de belastingplichtigen binnenkort een wettelijke erkenning komt van de beginselen van behoorlijk bestuur, van de bescherming van de privé- levenssfeer, van de rechten van verdediging en van het recht op een eerlijk proces ? In de huidige wetgeving zijn er immers nogal wat leemten, namelijk wat betreft de niet-erkenning van de juridictionele rol van de directeur die beslist over de bezwaarschriften, het cumuleren van de belastingheffing en van de onderzoeken naar aanleiding van bezwaarschriften, het systematisch doorsturen van ontwerpen van beslissingen naar de ambtenaar belast met de controle, ...

ANTWOORD

Sommige maatregelen die de regering op het oog heeft, hebben inderdaad tot doel bepaalde rechtsmisbruiken te beteugelen waardoor, zoals het geachte lid stelt, de belasting op abnormale wijze wordt beperkt. Dit is meer bepaald het geval voor de maatregel die ertoe strekt artikel 344 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan te vullen met een bepaling waardoor de fiscus de mogelijkheid krijgt na te gaan of een bepaalde verrichting niet enkel om fiscale motieven is gesteld, maar tevens of ze effectief beantwoordt aan een rechtmatige financiële of economische behoefte.

Deze nieuwe maatregelen zouden in elk geval samengaan met de mogelijkheid voor de belastingplichtige om voorafgaandelijk de administratie te raadplegen en een voorafgaand akkoord (ruling) te verkrijgen dat deze laatste in principe bindt (zie art. 345 van hetzelfde wetboek).

Ik kan daar nog aan toevoegen dat het voorontwerp van het Wetboek van de fiscale procedure eveneens een oplossing tracht te bieden voor bepaalde in zijn vraag geformuleerde problemen, aangezien de hervorming van de fiscale procedure inderdaad de betrekkingen tussen de belastingadministratie en de burger moet verbeteren door laatstgenoemde meer rechtszekerheid te verschaffen.

Bovendien wens ik nogmaals de aandacht te vestigen op de richtlijnen die de administratie heeft uitgevaardigd om de belastingplichtige meer bescherming te bieden bij het onderzoek van zijn bezwaarschrift en die betrekking hebben op :

1. De inachtneming van het beginsel dat de gewestelijk directeur van de directe belastingen een rechtsprekende functie uitoefent waaruit volgt dat hij, in de uitoefening van deze functie, gehouden is tot de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechter;

2. Het verbod het onderzoek van een bezwaarschrift toe te vertrouwen aan de inspecteur die zelf als taxatieambtenaar de betwiste aanslag heeft gevestigd (Cass., 14 december 1989, Peters, Arr. Cass. 1989-1990, II, blz. 538; Cass. 23 maart 1990, Van San, Bulletin der belastingen, april 1991, nr. 704, blz. 862; circ. van 16 augustus 1990, nr. Ci.RH.861/420.627, Bulletin der belastingen, oktober 1990, nr. 698, blz. 2602, punt 5);

3. De bekommernis voor een objectief onderzoek van het bezwaarschrift. Hoewel de inspecteur die meent te moeten afwijken van de door de taxatieambtenaar aangenomen belastbare grondslagen laatstgenoemde de mogelijkheid biedt zijn standpunt nopens de grieven van de belastingplichtige te verdedigen en zodoende toelichtingen te verstrekken die het onderzoek van de zaak kunnen vervolledigen, is dit advies van de taxatieambtenaar niet bindend voor de directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar die uitsluitend bevoegd is om te beslissen (zie mijn antwoord op de parlementaire vraag nr. 584 van 31 augustus 1990, gesteld door volksvertegenwoordiger Draps, Bulletin der belastingen, februari 1991, nr. 702, blz. 471).