Parlementaire vraag nr. 695 van de heer De Crem van 14.03.2005
VRAAG 05/695
Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr. 094, blz. 16766-16769
BTW-carrousel - Accijnsgoederen - Informatie-uitwisseling - Beroepsgeheim
VRAAG
Bonafide handelaren en kredietgevers worden geregeld onvrijwillig betrokken bij een BTW-carroussel of een zwendel in accijnsgoederen. Achteraf vernemen zij dat de overheid, de Douane en Accijnzen of BTWadministratie reeds op de hoogte waren van de fraudepraktijken van hun contractanten omdat zij getipt waren door hun collega's uit de andere EU-lidstaten of ingevolge een eigen onderzoek.
Wanneer de overheid op enigerlei wijze vroegtijdig signalen zou kunnen geven aan bonafide handelaren of kredietverstrekkers, zouden deze laatste bijkomende waarborgen kunnen eisen van hun contractanten. Waarborgen die in normale omstandigheden vanuit commercieel oogpunt niet gebruikelijk zijn. Zowel de overheid als de bonafide handelaren of kredietverstrekkers kunnen hierbij winnen. In een wel bijzondere vorm van publieke-private samenwerking zou een gegevensuitwisseling ongetwijfeld een gunstig effect hebben in de fraudebestrijding.
De bonafide handelaar of kredietverstrekker kan zijn medecontractant verplichten niet alleen tijdens de precontractuele fase maar ook tijdens het uitvoeren van de overeenkomst bepaalde informatie mee te delen. Aangezien de BTW-carroussels en accijnzenzwendel zich afspelen in een driehoeksrelatie met de overheid zou het uitermate nuttig zijn dat de fiscus de correctheid van de verstrekte informatie bevestigt. Ik denk in het bijzonder aan het al dan niet tijdig indienen van aangiften, het aanzuiveren van intracommunautaire verwervingen of accijnsgeleide documenten in het land van bestemming, het betalen van de verschuldigde BTW of accijnzen, enzovoort.
Tot op heden verschuilt de administratie zich achter het beroepsgeheim zoals uitgedrukt in artikel 337 WIB92, artikel 93
bis WBTW of artikel 320 AWDA (
cf. vraag nr. 1198 van 17 januari 2003 van de heer Tony Van Parys,
Vragen en Antwoorden, Kamer, 2002- 2003, nr. 157, blz. 20258). Bovendien is de beweegreden dat «deze beperking (het beroepsgeheim) zeer begrijpelijk is aangezien het vrijgeven van dergelijke informatie zou kunnen leiden tot het aantasten van het vertrouwen tussen contracterende partijen en voor beiden of voor één van hen commerciële en financiële gevolgen zou kunnen krijgen» onbegrijpelijk. Wordt hier met enig cynisme de bonafide handelaar bedoeld die achteraf de rekening krijgt gepresenteerd vanwege uw administratie ? Het lijkt ons moeilijk verdedigbaar dat de malafide handelaar het aantasten van het vertrouwen kan inroepen wanneer hij zelf te kwader trouw handelt.
1. Heeft u andere bezwaren dan de wettelijke beperkingen die het beroepsgeheim opleggen om met dergelijke informatie-uitwisseling in te stemmen ?
2. Acht het niet opportuun om het beroepsgeheim in te perken in het geval dat contractanten instemmen met het feit dat de fiscus bepaalde gegevens, verstrekt door de medecontractant aan de fiscus of aan de bonafide contractant, kan bevestigen ?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 20.09.2005)
1. Inzake BTW wens ik te verwijzen naar het antwoord op de parlementaire vraag nr. 1198 van 7 januari 2003 van de volksvertegenwoordiger Van Parys (
Vragen en Antwoorden, Kamer, 2002-2003, nr. 157, blz. 20256-20259). Hierin werd reeds uitdrukkelijk gesteld dat overeenkomstig artikel 93
bis van het BTW-Wetboek elke ambtenaar gehouden is tot het beroepsgeheim.
Ook artikel 320 van de Algemene Wet inzake douane en accijnzen bepaalt onder meer dat ambtenaren der douane en accijnzen verplicht zijn tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande alle zaken waarvan zij wegens het uitvoeren van hun opdracht kennis hebben en dat zij er zorg voor moeten dragen geen inzage te geven aan derden omtrent zaken van de ene particulier tot de andere. Wanneer ambtenaren van de administratie onderzoeken of een persoon zich schuldig maakt aan onregelmatigheden of fraude, is dit een onderzoek dat gevoerd wordt in het kader van de Algemene Wet inzake douane en accijnzen. Deze wet behoort tot het bijzonder strafrecht, maar de aard van het onderzoek wijkt niet af van het gewoon strafrecht. De fraudeonderzoeken inzake douane en accijnzen gebeuren niet op tegenspraak en zijn gedekt door het geheim van het strafonderzoek.
Indien men bij carrouselfraude of zwendel in accijnsgoederen het achterliggend netwerk wil ontmantelen en bijgevolg de organisatoren van de fraude wil uitschakelen, moeten de onderzoeken omzichtig en in alle discretie worden gevoerd. Het is pas uit het onderzoek, dat zal blijken of de handelaar werkelijk te goeder trouw is. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat op de belasting- of accijnsplichtigen zelf wettelijke verplichtingen rusten, dat zij zelf verantwoordelijkheid dragen voor hun handel en handelspartners en dat zij door communautaire en nationale wetgeving gehouden zijn tot betaling van de belastingen, los van het feit of zij al dan niet bonafide zijn.
2. Het beroepsgeheim inperken door, in het geval dat de contractanten ermee instemmen, de correctheid van de door hen verstrekte informatie te bevestigen, acht ik niet opportuun.
Zoals het geachte lid suggereert, zou de administratie, op vraag van de medecontractant aan een handelaar, kunnen attesteren dat de eerstgenoemde een welbepaalde verplichting is nagekomen zoals bijvoorbeeld het indienen van BTW-aangiften, het aanzuiveren van intracommunautaire verwervingen of het voldoen van de verschuldigde BTW. Het uitreiken van een dergelijk attest betekent echter niet dat de betrokkene ook zijn overige fiscale verplichtingen correct naleeft. Bovendien heeft dit attest slechts betrekking op een momentopname. Het is best mogelijk dat de betrokkene onmiddellijk na de uitreiking de desbetreffende verplichting niet meer nakomt. De waarde van een dergelijk attest is dus zeer relatief en doet geen uitspraak omtrent het globale fiscale gedrag van de belastingplichtige.
Bovendien dient men voor ogen te houden dat BTW-carrousels en zwendel in accijnsgoederen vormen zijn van georganiseerde fraude. Handelaars die dergelijke constructies opzetten, zullen de uitgereikte attesten aanwenden om bonafide handelaars te overtuigen om met hen in het systeem te stappen.
De betrouwbaarheid van de bestemmeling bij een verzending van accijnsgoederen onder een schorsingsregeling wordt wel onderzocht. De handel in accijnsproducten wordt in België voornamelijk geregeld bij de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop. Deze wet laat iedere handelaar toe om als een goede huisvader handel te drijven. Zo kan een handelaar die accijnsproducten onder een schorsingsregeling verzendt, voorafgaand inlichtingen bekomen over de bestemmeling. In België kan een handelaar bij de administratie der douane en accijnzen te weten komen of de bestemmeling van een zending binnen de Europese Unie beschikt over een machtiging als erkend entrepothouder of als geregistreerd bedrijf. Dergelijke machtigingen worden door de lidstaten pas afgeleverd nadat een onderzoek is ingesteld onder meer omtrent de fiscale betrouwbaarheid. Van bonafide handelaren mag verwacht worden dat zij hun contracterende partij minstens op hun fiscale betrouwbaarheid toetsen.
Het beroepsgeheim is echt veel meer. Het vormt een bescherming voor de ambtenaar (zijn rechten en plichten zijn dienomtrent duidelijk; hij kan niet verplicht worden het te schenden), voor de Schatkist (beschermt tegen schade-eisen veroorzaakt door de indiscretie van ambtenaren) en voor de particulieren en handelaren (het beschermt hen tegen het kenbaar maken aan derden van vertrouwelijke gegevens over hun persoon, hun vermogen en hun handel). Tornen aan het beroepsgeheim zet de poort naar misbruik en rechtsonzekerheid open.
Bron: FisconetPlus
