Parlementaire vraag nr. 553 van de heer Borginon van 06.09.1996
VRAAG 96/553
Bull. nr. 767, pag. 85
Vr. en Antw., Kamer, nr. 54, 1996-1997, blz. 7262-7263
Beroepsinkomen - Toekenning meehelpende echtgeno(o)t(e).
Verkrijgers van winsten, baten en ook werkende vennoten mogen aan de echtgenoot die hen in de uitoefening van hun beroep bijstaat, een inkomen toekennen. De wet heeft het in dit verband over een toekenning van 30 % door de geholpen echtgenoot. Nochtans is één van de wettelijke voorwaarden dat het bedrag van de toekenning moet overeenstemmen met de werkelijke waarde van de prestaties die de helpende echtgenoot levert. De wet voegt er verder aan toe dat de geholpen echtgenoot meer dan 30 % mag toekennen als de prestaties van de helpende echtgenoot dat verantwoorden.
| 1. | Wat is nu nog de betekenis van de vermelding van de 30 %-regel ? |
2. Kan de wet niet gewoon gewijzigd worden in die zin dat het bedrag van de toekenning moet overeenstemmen met de waarde van de geleverde prestaties van de helpende echtgenoot ?
ANTWOORD
Overeenkomstig de aanhef van het tweede lid van artikel 86 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) moet het aan de medehelpende echtgenoot toegekende deel van de winst, de baten of de bezoldigingen van werkend vennoot, overeenstemmen met de normale bezoldiging van de prestaties van de meewerkende echtgenoot, met dien verstande dat dit deel niet hoger mag zijn dan 30 % van de inkomsten van de beroepswerkzaamheid die met de hulp van de echtgenoot wordt uitgeoefend.
De door het geacht lid beoogde 30 %-regel betreft dus een bijkomende beperking die voornamelijk tot doel heeft te vermijden dat, verhoudingsgewijs, een overdreven deel, of zelfs de totaliteit, van het inkomen uit de beroepswerkzaamheid aan de medehelpende echtgenoot wordt toegekend.
Met de huidige wettekst kan bijvoorbeeld een handelaar die een nettowinst van 240.000 frank heeft verkregen, maximaal 72.000 frank (namelijk 30 %) aan zijn echtgenote toekennen, tenzij wordt aangetoond dat zij recht heeft op een groter deel (bijvoorbeeld 50 %, zijnde 120.000 frank) omdat de handelszaak werkelijk gezamenlijk en bij voortduur door de beide echtgenoten wordt uitgebaat (cf. artikel 86, tweede lid, in fine, WIB 92).
Mocht op de suggestie van het geacht lid worden ingegaan, dan zou die handelaar evenwel de totaliteit van zijn inkomen aan zijn medehelpende echtgenote kunnen toekennen, wat nooit de bedoeling van de wetgever geweest is.
Bron: FisconetPlus
