Parlementaire vraag nr. 238 van mevrouw Veerle Wouters van 07.03.2013
Parlementaire vraag nr. 238 van mevrouw Veerle Wouters dd. 07.03.2013
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2013-2014, QRVA 53/158 dd. 25.04.2014, blz. 278
Zetelverplaatsing naar het buitenland. - Fictieve liquidatie. - Tijdstip belastingheffing bij aandeelhouder
VRAAG (van mevrouw Wouters)
De vennootschapsbelasting onderwerpt een vennootschap die haar zetel naar het buitenland verplaatst, aan een exit-heffing om te vermijden dat de Belgische Staat een toekomstige vennootschapsbelasting van de in de Belgische periode opgebouwde (latente) meerwaarde misloopt. Het gaat hierbij "technisch" om een fictieve liquidatie van het maatschappelijk vermogen. Wanneer een Belgische vennootschap haar zetel van werkelijke leiding verplaatst naar een ander land is de rechtsleer verdeeld over de belastingheffing in hoofde van de aandeelhouders.
1. Wanneer een zetelverplaatsing van een binnenlandse (lees "Belgische") vennootschap naar het buitenland plaatsvindt met vennootschapsrechtelijke en boekhoudkundige continuïteit, bevestigt u dat in dat geval de emigratie niet tot de vereffening en ontbinding van de vennootschap leidt?
2. Is er louter sprake van een "technisch" dividend om in de vennootschapsbelasting de latente meerwaarde onder de vorm van een fictieve verdeling van het maatschappelijk vermogen (artikel 201, §2 WIB 1992) bij wijze van "exit-heffing" te kunnen belasten?
3. a) Bent u van mening dat een zetelverplaatsing van een binnenlandse vennootschap naar het buitenland in de personenbelasting aanleiding geeft tot het belasten van een fictieve liquidatiebonus in hoofde van de aandeelhouder-natuurlijke persoon?
b) Zo ja, is dit verenigbaar met de uitspraak van het Hof van Justitie van 29 november 2011, C-371/10, volgens hetwelk de lidstaten de vennootschap de keuze moeten laten tussen een onmiddellijke betaling bij exit of een uitgestelde betaling van de exitheffing na realisatie van de meerwaarde?
c) Zo ja, volgt uit artikel 18, eerste lid, 2°ter WIB 1992 dat zowel betrekking heeft op een gehele als gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen van een binnenlandse als van een buitenlandse vennootschap, een tweede belastingheffing?
4. Als in hoofde van de natuurlijke persoon naar aanleiding van zowel de zetelverplaatsing als de uitkering van de gerealiseerde meerwaarde (onder de vorm van een dividend of een liquidatiebonus) een dividend belast wordt, is er dan geen sprake van een juridische dubbele belasting?
5. Wat is de wettelijke basis om te besluiten dat de "fictieve" liquidatiebonus van artikel 210 WIB 1992 als dividend belastbaar is in hoofde van aandeelhouder-natuurlijke persoon, aangezien artikel 18, eerste lid, 2°ter WIB 1992 enkel verwijst naar de dividenden bedoeld in de artikelen 186, 187 en 209 WIB 1992?
6. Als de wetgever de bedoeling zou hebben om de met vereffening gelijkgestelde verrichting (dus fictie want zonder verdeling) in hoofde van de aandeelhouder-natuurlijke persoon als dividend te belasten, dient artikel 18, eerste lid, 2°ter WIB 1992 dan niet uitdrukkelijk hierin te voorzien?
7. Is bij emigratie van een binnenlandse vennootschap een fictieve liquidatiebonus belastbaar in hoofde van de vennootschap-aandeelhouder? Er is immers geen sprake van enige uitkering van maatschappelijk vermogen aan deze laatste waardoor er ook geen aangroei van haar actief is.
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
De zetelverplaatsing van een binnenlandse vennootschap naar het buitenland wordt volgens het interne recht beschouwd als een met vereffening gelijkgestelde verrichting. Naar aanleiding van de bedoelde zetelverplaatsing wordt het maatschappelijk vermogen van de vennootschap geacht te zijn verdeeld. Om de verschuldigde belasting naar aanleiding van de zetelverplaatsing te kunnen bepalen wordt een uitgekeerd dividend vastgesteld. Voor deze vaststelling wordt rekening gehouden met de waarde van de bestanddelen op het moment van de zetelverplaatsing. Op deze belastingheffing is één uitzondering voorzien in artikel 214bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92). Indien een vennootschap haar zetel verplaatst naar een andere lidstaat van de Europese Unie met behoud of oprichting van een Belgische inrichting vindt geen belastingheffing plaats ingevolge artikel 208, 2e lid of 209, WIB 92. Naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie van 29 november 2011, C-371/10 heb ik de gespecialiseerde diensten van mijn administratie de opdracht gegeven om enerzijds op het vlak van grensoverschrijdende zetelverplaatsingen de eventuele tekortkomingen in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vast te stellen op grond van het geheel van de voorschriften van het Europese recht, en anderzijds mij in voorkomend geval een voorstel van noodzakelijke wijzigingen aan de bepalingen van dit Wetboek voor te leggen. Aangezien de al dan niet belastbaarheid van een liquidatiebonus ten name van de aandeelhouder-natuurlijk persoon onlosmakelijk verband houdt met de in het vorige lid gestelde problematiek, wens ik eveneens de resultaten van dat onderzoek af te wachten.
