Parlementaire vraag nr. 2152 van de heer Benoît Piedboeuf van 20.03.2018

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2018-2019, QRVA 54/176, d.d. 06.12.2018, blz. 332

Vennootschapsbelasting. - Bijzondere liquidatiereserve

VRAAG

Overeenkomstig artikel 541 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) kunnen vennootschappen een bijzondere liquidatiereserve aanleggen volgens de in dat artikel vastgelegde voorwaarden.

In geval van een geschil waarbij de administratie zou aanvoeren dat die 'bijzondere' reserve beschouwd moet worden als een 'gewone' belaste reserve, verandert de aangegeven belastbare grondslag, en bijgevolg ook de verschuldigde vennootschapsbelasting, niet.

De belastingtechnische gevolgen van die kwalificatie van de reserve zullen immers pas later voelbaar worden, namelijk op het moment van de uitkering van de reserve waarop het geschil betrekking heeft.

Overeenkomstig artikel 366 van het WIB 1992 kan een belastingplichtige bezwaar aantekenen tegen het bedrag van de gevestigde aanslag. In casu kan er evenwel noch een bezwaarschift (dat onontvankelijk zou worden verklaard), noch een aanvraag tot fiscale bemiddeling (die onontvankelijk zou worden verklaard) worden ingediend, omdat er geen bijkomende aanslag wordt gevestigd.

Aangezien de bijzondere aanslag van 10 % op het bedrag van de bijzondere liquidatiereserve betaald werd, kan men enkel nog actie ondernemen door om de terugbetaling van dat bedrag te verzoeken. Bevestigt u dat dat mogelijk is en zo ja, volgens welke procedure?

De vennootschap zou niettemin kunnen afzien van zo een aanvraag om terugbetaling, omdat ze met die aanvraag impliciet zou erkennen dat de voorwaarden zoals omschreven in artikel 541 van het WIB 1992 niet vervuld waren, terwijl ze dat nu juist niet erkent.

Ingevolge de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken neemt de rechtbank van eerste aanleg overeenkomstig artikel 569, 1e lid, 32° van het Gerechtelijk Wetboek kennis van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet.

Men wil evenwel voorkomen dat de rechtbanken, die geen uitspraak zouden kunnen doen als blijkt dat er geen sprake is van een reeds verkregen en dadelijk belang, overstelpt worden met nog meer werk. Welke oplossing zou u kunnen aanreiken opdat de belastingplichtige zijn rechten zou kunnen vrijwaren? Als er een bezwaarschrift wordt ingediend naar aanleiding van de belastingheffing op de uitkering van de reserve en de administratieve of gerechtelijke procedure uitwijst dat de administratie de reserve op de juiste wijze gekwalificeerd heeft, beantwoordt de vennootschap immers niet langer aan de voorwaarden om de bijzondere aanslag van 10 % te kunnen terugvorderen.

Kan de vennootschap, kortom, als ze zich na de latere belastingheffing op de uitgekeerde reserve en na afloop van een geschilprocedure zou schikken in de analyse van de administratie dat er effectief niet aan de voorwaarden is voldaan, verzoeken om de terugbetaling van de betaalde aanslag van 10 % en zo ja, volgens welke procedure?

ANTWOORD

Krachtens artikel 541, WIB 92 zijn de afzonderlijke aanslagen die in toepassing van dit artikel werden betaald definitief verworven door de Staat. In elk geval moeten ook alle voorwaarden bepaald in dat artikel 541 vervuld zijn.

Deze bepaling bepaalt bovendien dat de bijzondere aanslag "wordt gelijkgesteld met de in artikel 219quater bedoelde afzonderlijke aanslag"; dit artikel 219quater, is opgenomen in Titel III "Vennootschapsbelasting" van dit wetboek, zodat de afzonderlijke aanslag moet beschouwd worden als een "aanslag" zoals bepaald in artikel 366, WIB 92, betreffende de bezwaarschriften.

Artikel 371 van voormeld wetboek voorziet enerzijds dat een bezwaarschrift moet gemotiveerd worden (wat wil zeggen dat het de grieven moet bevatten waarover moet geoordeeld worden) en anderzijds dat de termijn om een bezwaarschrift in te dienen tegen een aanslag die niet werd ingekohierd begint te lopen "van de derde werkdag volgend op de datum van de inning van de belasting op een andere wijze dan per kohier".

Volgens het inzicht van het Hof van cassatie betekent het woord "inning" de daad van de administratie die bestaat in de ontvangst van de belasting, aanvaard als regelmatige betaling en voor het door haar aangenomen bedrag, zodat de wet de bezwaartermijn pas doet beginnen lopen vanaf de datum waarop de administratie aan de belastingplichtige het verschuldigde bedrag heeft medegedeeld (Cass. 26 maart 1963, Pas. 1963, I, blz. 716) evenals de beroepsmogelijkheden, de gegevens van de bevoegde dienst en de geldende vormen en de termijnen (artikel 2, 4°, wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur).

Bij gebrek aan kennisgeving van de inning begint de bezwaartermijn niet te lopen. De belastingplichtige kan echter wel handelen van zodra hij een verkregen en dadelijk belang heeft en het bedrag van de belastingschuld vast staat (Cass. 26 oktober 1965, Pas. 1966, I, blz. 276); Zijn recht om de terugbetaling van de door hem betaalde afzonderlijke aanslag te vorderen verjaart na 10 jaar aangezien het een persoonlijke rechtsvordering betreft zoals bepaald in artikel 2262bis van het Burgerlijk wetboek (artikel 113 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale staat).

Wanneer de administratie bij een fiscale controle vaststelt dat bijzondere liquidatiereserve of een gedeelte ervan als een gewone reserve moet belast worden, kan de administratie een kennisgeving van inning van de afzonderlijke aanslag aan de belastingplichtige zenden. Deze kennisgeving van inning die als doel heeft om de belastingplichtige in kennis te stellen van het als regelmatige betaling aanvaard bedrag, kan enkel betrekking hebben op het gedeelte van de bijzondere liquidatiereserve die als regelmatig werd aanvaard, en dus niet op het gedeelte van de bijzondere reserve die werd verworpen.

In dat geval heeft de belastingplichtige een bezwaartermijn van zes maanden om het bedrag van de afzonderlijke aanslag op de aanvaarde liquidatiereserve te betwisten door het bewijs te leveren dat de voorwaarden bepaald in art. 541, WIB 92 niet vervuld zijn. De tienjarige verjaringstermijn blijft van toepassing voor het bedrag van de afzonderlijke aanslag op het verworpen gedeelte van de liquidatiereserve.

Zo blijft de betrokkene in de mogelijkheid om de teruggave van de afzonderlijke aanslag te vragen zolang de tienjarige verjaringstermijn niet verstreken is. Deze termijn kan evenwel op geen enkele wijze worden verlengd. De belastingschuldige moet er dus op toe zien dat hij tijdig zijn vraag indient, zelfs wanneer het contentieux omtrent de taxatie van de uitkering van de reserve nog niet definitief werd afgesloten.