Parlementaire vraag nr. 1 van de heer Hendrickx van 28.07.1999
VRAAG 99/001
Vraag nr. 1 van de heer Hendrickx dd. 28.07.1999
Vr. en Antw., Kamer, 1999, nr. 1, blz.86-88
Bull. nr. 799, pag. 3940
Circulaires. - Bindende kracht t.o.v. ambtenaren.
VRAAG
Al te vaak merken de belastingplichtigen op dat de antwoorden van een minister op juridische vragen eenvoudige beweringen zijn die op geen enkele wijze juridisch worden gestaafd. Vaak is het antwoord ook louter op opportuniteitsoverwegingen gebaseerd. Dit geldt ook voor de menigvuldige vragen die voorheen werden gesteld onder andere aangaande de waarde van de circulaires.
Ofschoon de circulaires slechts interne nota's zijn voor de leden van de Administratie en geen enkele juridische waarde hebben tegenover de belastingplichtigen worden nochtans veel aanslagen gevestigd louter op basis van circulaires aangehaald door een controleur of gewestelijk directeur bij de behandeling van bezwaarschriften.
1. Wat is de juridische waarde van een circulaire?
2. Is een circulaire tegenstelbaar aan derden met andere woorden mag de Administratie een circulaire gebruiken tegenover de belastingplichtige?
3. Bent u van mening dat het hoofdbestuur geen enkele verordenende bevoegdheid heeft en dat circulaires een louter interne aangelegenheid zijn?
4. Mag de belastingplichtige stellen dat de controleur of de gewestelijk directeur die zich beroept op een circulaire om een aanslag te vestigen een onwettige handeling stelt?
5. Mag gesteld worden dat het aanhalen van een circulaire door de ambtenaren verboden dient te zijn?
6. Heeft u kennis van arresten van de Raad van State en het Hof van Cassatie aangaande de waarde van de circulaires?
7. Kan u al deze uitspraken vermelden met een grondige analyse in extenso zoals het gebeurde bij een toevallige uitspraak in het voordeel van de belastingoverheid als antwoord op de parlementaire vraag nr. 1537 van 9 november 1998 van de heer Vandenbossche (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1998-1999, nr. 163, blz. 21958)?
8.
a) Indien dit niet mogelijk is kan u dan vermelden waarom en wanneer de overheid in het gelijk gesteld wordt?
b)Waarom wordt aan de belastingplichtige, die gelijk heeft in zijn verdediging, geen antwoord gegeven?
9. Waarom blijft de Administratie aangaande de waarde van de circulaires spijts antwoorden van uw voorgangers op parlementaire vragen en de uitspraken van de opperste rechterlijke instanties (zoals onder andere de Raad van State en het Hof van Cassatie) hardnekkig doorgaan om de belastingplichtigen te belasten op basis van circulaires?
10. Bent u de mening toegedaan dat het gebruiken van circulaires tegenover de belastingplichtigen als grondslag voor een aanslag onwettige middelen zijn zowel op burgerlijk gebied als op strafrechtelijk gebied?
11. Bent u van mening dat elk overheidsoptreden begrensd wordt door grondwettelijke beginselen en beginselen van behoorlijk bestuur zoals het gelijkheidsbeginsel (artikel 10 van de Grondwet) en het redelijkheidsbeginsel?
12. Bent u de mening toegedaan dat telkens de Administratie een circulaire aanhaalt, deze overheid verplicht is te motiveren waarom deze circulaire aangehaald wordt overeenstemmend met de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vermits dit geen handeling is waarvoor de uitdrukkelijke motiveringsplicht krachtens artikel 4 van die wet niet van toepassing is?
ANTWOORD
Ik ben het met het geachte lid eens dat de administratieve circulaires geen bindende kracht hebben ten aanzien van de belastingplichtigen (zie Hof van Cassatie, 3 maart 1977, Charbonnages du Bonnier, Pasicrisie, 1977, 1, blz. 701, met advies van de advocaat-generaal).
Die circulaires hebben essentieel tot doel aan de ambtenaren de interpretatie te laten kennen die de belastingadministratie aan de wettelijke en reglementaire teksten geeft, zomede de regelen met betrekking tot uitvoering van die bepalingen. Zij strekken er eveneens toe dat gelijkaardige gevallen in verschillende ambtsgebieden conform het gelijkheidsbeginsel op eenvormige wijze worden behandeld.
Gelet op de hiërarchische gehoorzaamheidsplicht van de bedoelde ambtenaren, hebben de administratieve circulaires ten aanzien van deze ambtenaren wel een bindende kracht.
Het spreekt voor zich dat de ambtenaren geen onwettige handeling stellen indien zij de richtlijnen naleven die hun door de Administratie worden opgelegd. Niettemin dienen zij, telkens wanneer een aangifte van een belastingplichtige krachtens artikel 346 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wensen te wijzigen, die belastingplichtige daarvan in kennis te stellen door middel van een degelijk gemotiveerd bericht van wijziging zodat deze binnen de gestelde termijn, met kennis van zaken, zijn opmerkingen kenbaar kan maken. Een loutere verwijzing naar de betrokken administratieve circulaire volstaat niet als motiveringsgrond.
Tenslotte wijs ik er op dat het de hoven en rechtbanken zijn die in fiscale zaken uiteindelijk de geschillen zullen moeten beslechten. Het belastingbestuur dat, tenzij de belastingwet er anders over beschikt, even- eens onderworpen is aan de regels ingesteld door de Grondwet en de gewone wetten om de individuele vrijheden en vermogens te beschermen, streeft er voortdurend naar zijn richtlijnen in overeenstemming te brengen met de geldende rechtspraak.
Vraag nr. 1 van de heer Hendrickx dd. 28.07.1999
Vr. en Antw., Kamer, 1999, nr. 1, blz.86-88
Bull. nr. 799, pag. 3940
Circulaires. - Bindende kracht t.o.v. ambtenaren.
VRAAG
Al te vaak merken de belastingplichtigen op dat de antwoorden van een minister op juridische vragen eenvoudige beweringen zijn die op geen enkele wijze juridisch worden gestaafd. Vaak is het antwoord ook louter op opportuniteitsoverwegingen gebaseerd. Dit geldt ook voor de menigvuldige vragen die voorheen werden gesteld onder andere aangaande de waarde van de circulaires.
Ofschoon de circulaires slechts interne nota's zijn voor de leden van de Administratie en geen enkele juridische waarde hebben tegenover de belastingplichtigen worden nochtans veel aanslagen gevestigd louter op basis van circulaires aangehaald door een controleur of gewestelijk directeur bij de behandeling van bezwaarschriften.
1. Wat is de juridische waarde van een circulaire?
2. Is een circulaire tegenstelbaar aan derden met andere woorden mag de Administratie een circulaire gebruiken tegenover de belastingplichtige?
3. Bent u van mening dat het hoofdbestuur geen enkele verordenende bevoegdheid heeft en dat circulaires een louter interne aangelegenheid zijn?
4. Mag de belastingplichtige stellen dat de controleur of de gewestelijk directeur die zich beroept op een circulaire om een aanslag te vestigen een onwettige handeling stelt?
5. Mag gesteld worden dat het aanhalen van een circulaire door de ambtenaren verboden dient te zijn?
6. Heeft u kennis van arresten van de Raad van State en het Hof van Cassatie aangaande de waarde van de circulaires?
7. Kan u al deze uitspraken vermelden met een grondige analyse in extenso zoals het gebeurde bij een toevallige uitspraak in het voordeel van de belastingoverheid als antwoord op de parlementaire vraag nr. 1537 van 9 november 1998 van de heer Vandenbossche (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1998-1999, nr. 163, blz. 21958)?
8.
a) Indien dit niet mogelijk is kan u dan vermelden waarom en wanneer de overheid in het gelijk gesteld wordt?
b)Waarom wordt aan de belastingplichtige, die gelijk heeft in zijn verdediging, geen antwoord gegeven?
9. Waarom blijft de Administratie aangaande de waarde van de circulaires spijts antwoorden van uw voorgangers op parlementaire vragen en de uitspraken van de opperste rechterlijke instanties (zoals onder andere de Raad van State en het Hof van Cassatie) hardnekkig doorgaan om de belastingplichtigen te belasten op basis van circulaires?
10. Bent u de mening toegedaan dat het gebruiken van circulaires tegenover de belastingplichtigen als grondslag voor een aanslag onwettige middelen zijn zowel op burgerlijk gebied als op strafrechtelijk gebied?
11. Bent u van mening dat elk overheidsoptreden begrensd wordt door grondwettelijke beginselen en beginselen van behoorlijk bestuur zoals het gelijkheidsbeginsel (artikel 10 van de Grondwet) en het redelijkheidsbeginsel?
12. Bent u de mening toegedaan dat telkens de Administratie een circulaire aanhaalt, deze overheid verplicht is te motiveren waarom deze circulaire aangehaald wordt overeenstemmend met de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vermits dit geen handeling is waarvoor de uitdrukkelijke motiveringsplicht krachtens artikel 4 van die wet niet van toepassing is?
ANTWOORD
Ik ben het met het geachte lid eens dat de administratieve circulaires geen bindende kracht hebben ten aanzien van de belastingplichtigen (zie Hof van Cassatie, 3 maart 1977, Charbonnages du Bonnier, Pasicrisie, 1977, 1, blz. 701, met advies van de advocaat-generaal).
Die circulaires hebben essentieel tot doel aan de ambtenaren de interpretatie te laten kennen die de belastingadministratie aan de wettelijke en reglementaire teksten geeft, zomede de regelen met betrekking tot uitvoering van die bepalingen. Zij strekken er eveneens toe dat gelijkaardige gevallen in verschillende ambtsgebieden conform het gelijkheidsbeginsel op eenvormige wijze worden behandeld.
Gelet op de hiërarchische gehoorzaamheidsplicht van de bedoelde ambtenaren, hebben de administratieve circulaires ten aanzien van deze ambtenaren wel een bindende kracht.
Het spreekt voor zich dat de ambtenaren geen onwettige handeling stellen indien zij de richtlijnen naleven die hun door de Administratie worden opgelegd. Niettemin dienen zij, telkens wanneer een aangifte van een belastingplichtige krachtens artikel 346 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wensen te wijzigen, die belastingplichtige daarvan in kennis te stellen door middel van een degelijk gemotiveerd bericht van wijziging zodat deze binnen de gestelde termijn, met kennis van zaken, zijn opmerkingen kenbaar kan maken. Een loutere verwijzing naar de betrokken administratieve circulaire volstaat niet als motiveringsgrond.
Tenslotte wijs ik er op dat het de hoven en rechtbanken zijn die in fiscale zaken uiteindelijk de geschillen zullen moeten beslechten. Het belastingbestuur dat, tenzij de belastingwet er anders over beschikt, even- eens onderworpen is aan de regels ingesteld door de Grondwet en de gewone wetten om de individuele vrijheden en vermogens te beschermen, streeft er voortdurend naar zijn richtlijnen in overeenstemming te brengen met de geldende rechtspraak.
Bron: FisconetPlus
