Parlementaire vraag nr. 747 van mevrouw Karin Temmerman van 29.01.2014

Parlementaire vraag nr. 747 van mevrouw Karin Temmerman dd. 29.01.2014

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2013-2014, QRVA 53/156 dd. 14.04.2014, blz. 101

Artikel 198, § 3, derde lid, tweede streepje WIB 1992. - Het begrip "publiek-private samenwerking"

VRAAG (van mevrouw Temmerman)

De programmawet (I) van 29 maart 2012 (Belgisch Staatsblad van 6 april 2012) verving [zie: artikel 147] artikel 198, § 1, 11° van het Wetboek Inkomstenbelastingen (WIB). Tevens werd een nieuwe derde paragraaf aan artikel 198 WIB toegevoegd. Het artikel 198 WIB 1992 kadert in het hoofdstuk over de vaststelling van het netto-inkomen voor het heffen van de vennootschapsbelasting waaraan binnenlandse vennootschappen onderhevig zijn. Het artikel beperkt de aftrekbaarheid van bepaalde beroepskosten. Paragraaf 1, 11° van die bepaling voorziet dat de volgende kosten niet als beroepskosten worden aangemerkt: "11° onverminderd de toepassing van de artikelen 54 en 55, de betaalde of toegekende interesten van leningen indien, en in de mate van die overschrijding, het totale bedrag van deze leningen, andere dan obligaties of andere gelijksoortige effecten uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen en andere dan leningen toegekend door instellingen bedoeld in artikel 56, § 2, 2°, hoger is dan vijf maal de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk: - hetzij, wanneer de werkelijke verkrijgers ervan niet onderworpen zijn aan een inkomstenbelasting of, voor die inkomsten, onderworpen zijn aan een aanzienlijk gunstigere aanslagregeling dan die welke voortvloeit uit de bepalingen van gemeen recht van toepassing in België; - hetzij, wanneer de werkelijke verkrijgers ervan deel uitmaken van een groep waartoe de schuldenaar behoort;" Ingevolge de programmawet (I) van 29 maart 2012 is een derde paragraaf aan artikel 198 WIB 1992 toegevoegd. Overeenkomstig die paragraaf wordt de aftrekbeperking bedoeld in § 1, 11°, tweede streepje, niet van toepassing geacht op leningen aangegaan door "vennootschappen waarvan de voornaamste activiteit bestaat in het uitvoeren van een project van publiek-private samenwerking gegund na inmededingingstelling conform de reglementering inzake overheidsopdrachten". De achterliggende gedachte is het bevorderen van de werking van projectvennootschappen die ten behoeve van dergelijke publiek-private samenwerkingsprojecten voor de private financiering ervan instaan. Die doelstelling is, vanzelfsprekend, legitiem. Vanuit de sector wordt er mij echter op gewezen dat er rechtsonzekerheid bestaat over het in het WIB 1992 gehanteerde begrip "een project van publiek-private samenwerking". Dat begrip wordt immers in het WIB 1992 niet gedefinieerd en er bestaat ook geen algemene aanvaarde definitie. In de gespecialiseerde literatuur is "publiek-private samenwerking" een begrip dat vele ladingen dekt. Definities zijn wel terug te vinden in het Groenboek over publiek-private samenwerking van de Europese Commissie (COM/2004/0327) en het Vlaamse Decreet van 18 juli 2003 betreffende Publiek-Private Samenwerking. Heel concreet rijst dan ook de vraag wat met het begrip publieke private samenwerking bedoeld wordt:

1. Heeft dat begrip uitsluitend betrekking op projecten waarbij de overheid de private partner openbare infrastructuur laat ontwerpen, bouwen, onderhouden en financieren, waartegenover een periodieke vergoeding staat? Ik denk aan de bouw van gevangenissen, wegen of scholen.

2. Of heeft het begrip eveneens betrekking op zogenaamde gebiedsontwikkelingsprojecten waarbij een (dikwijls lokale) overheid door de samenwerking met een private partner de ontwikkeling of herwaardering van bepaalde, soms achtergebleven stadswijken, braakliggende en vaak ook vervuilde gronden, enzovoort wenst na te streven? In die gebiedsontwikkelingsprojecten kunnen, doorgaans, door de private partner woningen, winkels, kantoren of vrijetijdsinfrastructuur worden gerealiseerd. De opbrengst van de private partner ligt dan niet in een rechtstreekse financiële vergoeding door de overheid maar in het recht op commercialisatie van die ontwikkeling. Doorgaans zal de overheid de gronden verkopen of andere zakelijke rechten toekennen en in ruil daarvoor van de private ontwikkelaar tegenprestaties vereisen. Die tegenpretaties kunnen de realisatie van een door de overheid bepaald programma (woningen, winkels, kantoren, vrijetijdsinfrastructuur, ...), de realisatie van bepaalde openbare infrastructuur (culturele of sportieve infrastructuur, de aanleg van wegen, voetpaden, openbare verlichting, riolering, ...) maar ook de sanering van gronden behelzen. Het kan ook om meerdere tegenprestaties tegelijkertijd gaan.

3. Indien het antwoord op de eerste vraag positief en het antwoord op de tweede vraag negatief is, wat is de verantwoording voor een onderscheiden behandeling van die twee categorieën van publiek-private samenwerking?

ANTWOORD (van de Minister van Financiën)

Het decreet waarnaar het geachte lid verwijst, heeft het begrip ingevuld op basis van het volgende uitgangspunt: "een samenwerkingsverband waarin publieke en private partijen gezamenlijk een project realiseren om meerwaarde voor beide tot stand te brengen." De bepalingen in artikel 198, § 3, 2e streepje, WIB 92 verwijzen naar het uitvoeren van een project van publiek-private samenwerking gegund na in mededingingstelling conform de reglementering inzake overheidsopdrachten. Dit beperkt de bedoelde samenwerkingen in die zin dat wanneer in artikel 198, § 3, 2e streepje, WIB 92, de term publiek-private samenwerking wordt vermeld, enkel de vormen van samenwerking zijn beoogd die het toelaten aan de overheid om een beroep te doen op een samenwerking met de privésector met het oog op het investeren, financieren of beheren binnen het publieke domein, daar waar de overheid bevoegd is, maar waarbij deze misschien niet over de middelen beschikt om haar taak alleen uit te voeren. Met betrekking tot de eerste vraag moet er dus bevestigend worden geantwoord, met betrekking tot de tweede vraag moet er ontkennend worden geantwoord. Wat de derde vraag betreft, verwijs ik naar de hoger vermelde argumentatie.