Parlementaire vraag nr. 1280 van de heer Gehlen van 16.03.1998

VRAAG 98/1280
Bull. nr. 786, pag. 2251
Vr. en Antw., Kamer, 1997-1998, nr. 133, blz. 18381
Belastingkrediet - Oprichting
VRAAG
Krachtens artikel 289bis van het WIB 1992 kan een belastingplichtige een belastingkrediet verrekenen met de vennootschapsbelasting ten belope van 7,5 %, met een maximum van 800.000 frank, van het positieve verschil tussen het in geld gestorte kapitaal op het einde van het belastbare tijdperk en het op het einde van één van de drie voorafgaande belastbare tijdperken bereikte hoogste bedrag van het in geld gestorte kapitaal.
Het belastingkrediet werd ingevoerd met ingang van het aanslagjaar 1997. Gesteld dat er tijdens dat aanslagjaar 1997 een vennootschap wordt opgericht door inbreng in contanten, dan is er geen voorafgaand belastbaar tijdperk dat als referentiepunt kan dienen. De oorspronkelijke bedoeling van het belastingvoordeel in kwestie was de investering van het eigen vermogen in het algemeen aan te moedigen.
Mag men er, gelet op voormelde oorspronkelijke doelstelling, van uitgaan dat de belastingplichtige in dit geval wel degelijk een belastingkrediet zal genieten?
ANTWOORD
Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 523, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) zijn, voor zover voldaan is aan alle gestelde voorwaarden, de bepalingen van artikel 289bis, tweede lid, WIB 92 eveneens van toepassing op een vennootschap waarvan het eerste boekjaar verbonden is aan het aanslagjaar 1997.