Parlementaire vraag nr. 1246 van mevrouw Pieters van 25.04.2006
Parlementaire vraag nr. 1246 van mevrouw Pieters dd. 25.04.2006
Vragen en Antwoorden, Kamer, 2005-2006, nr. 122, blz. 23796-23797
Bijzondere aanslag geheime commissielonen - Individuele fiches - Voordelen renteloze lening
VRAAG
Krachtens artikel 219 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd op «kosten» vermeld in artikel 57, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave alsmede op de verdoken meerwinsten die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden.
Die aanslag is gelijk aan 300% van die «kosten».
Als verdoken meerwinsten worden niet aangemerkt, de reserves als bedoeld in artikel 24, eerste lid, 2° tot 4° WIB 1992.
Deze aanslag is niet van toepassing indien de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de «kosten», vermeld in artikel 57, begrepen is in een door de genieter overeenkomstig artikel 305 WIB 1992 ingediende aangifte.
Bij niet- of onvoldoende aangifte van sommige belastbare voordelen van alle aard, die voor de genieters in principe «beroepsinkomsten» zijn in de zin van de artikelen 30, 31, 32 en 36 WIB 1992, gebruiken de belastingadministraties veelal de strikte toepassing van artikel 219 WIB 1992 als drukkingsmiddel om snel een akkoord te bekomen in hoofde van de werkelijke genieters (natuurlijke personen) of maken daarentegen zelfs een pragmatische berekening van een bepaald «fictief» bedrag aan «verworpen uitgaven» dat uiteindelijk evenveel te betalen vennootschapsbelasting zou moeten opleveren als het maximaal en progressief tarief van de personenbelasting dat in hoofde van de betrokken genieter drukt op die belastbare voordelen.
Uit een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 21 oktober 2005 is nochtans gebleken dat een voordeel van alle aard voor de verstrekkende vennootschap niet steeds een «beroepskost» is, maar hoogstens een gederfd beroepsinkomen (zoals bijvoorbeeld bij een voordeel renteloze lening ingevolge de debetstand van de rekeningcourant van een bedrijfsleider).
Volgens de rechtbank is het niet opmaken van loonfiches nr. 281.20 ten name van bedrijfsleiders uit hoofde van fictieve debetinteresten geen wettige grond voor het opleggen van de afzonderlijke aanslag «geheime commissielonen» van 300%.
Bij aandachtige lezing van voornoemde wettekst kan die bijzondere aanslag hoogstens worden voorgesteld wanneer de belastbare voordelen van alle aard inderdaad een daadwerkelijke uitgave, een last of een aftrekbare beroepskost voor de vennootschap hebben betekend.
Kan u enerzijds de visie van de rechtbank delen en mij anderzijds verder uw geactualiseerde algemene, klantvriendelijke en pragmatische ziens- en handelwijze en verduidelijkingen meedelen in het licht van genoemde wettelijke bepalingen inzake vennootschapsbelasting, het grondwettelijk legaliteitsbeginsel en de door sommige taxatieambtenaren gehanteerde en eerdergenoemde fictieve wisseloplossing inzake het belasten van voordelen van alle aard ter vervanging van die hoge bijzondere aanslag ?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 15.05.2006)
Ik kan het geachte lid meedelen dat mijn administratie een voorziening in beroep heeft ingediend tegen het in haar vraag vermelde vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 21 oktober 2005.
Artikel 219, eerste lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) bepaalt dat een afzonderlijke aanslag wordt gevestigd op kosten zoals vermeld in artikel 57, WIB 1992 die niet worden verantwoord door individuele fiches en samenvattende opgaven. De afzonderlijke aanslag is in het beoogde geval bijgevolg van toepassing op de voordelen van alle aard die werden toegestaan ingevolge geen of te weinig aangerekende interesten op de debetstanden van een rekening-courant van bijvoorbeeld een bedrijfsleider, wanneer de betrokken binnenlandse vennootschap nalaat die voordelen te verantwoorden overeenkomstig de bepalingen van artikel 57, WIB 1992.
De artikelen 57 en 219, WIB 1992, vereisen niet dat de betreffende kost als zodanig door de betrokken vennootschap wordt geboekt. Deze aanslag is evenwel niet van toepassing indien de binnenlandse vennootschap aantoont dat het bedrag van deze voordelen van alle aard begrepen is in een door de genieter overeenkomstig artikel 305, WIB 1992, ingediende aangifte.
Wat de aangehaalde fictieve wisseloplossing betreft die sommige taxatieambtenaren toepassen, kan ik enkel bevestigen dat het inderdaad gaat om een pragmatische oplossing die eventueel niet in overeenstemming is met de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
