Parlementaire vraag nr. 210 van de heer De Roo van 14.12.1992
VRAAG 92/210
Bull. nr. 726, pag. 903
Vrijstelling onroerende voorheffing - Bevoegdheid van de Gewesten
De wetgevende organen van de diverse Gewesten zijn, inzake de aanslagvoet en de vrijstelling van onroerende voorheffing, bevoegd geworden ingevolge artikel 3, 5°, en artikel 4, § 2, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en Gewesten (Belgisch Staatsblad van 17 januari 1989).
Het volstond bijgevolg om bij decreet artikel 157 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (artikel 253 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992) aan te vullen met een artikel dat, o.a. wat het Vlaamse Gewest betreft, de vrijstelling van onroerende voorheffing verleent ten aanzien van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen welke gelegen zijn in het Vlaamse Gewest en welke door een openbaar bestuur of een belastingplichtige die geen winstoogmerk nastreeft, aangewend worden als bejaardenvoorziening uitgebaat door een rechtspersoon, zoals bedoeld in artikel 5 van het decreet van 5 maart 1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen voor bejaarden. Deze beschikking is sinds kort opgenomen in artikel 103, tweede lid, van het decreet van de Vlaamse Raad van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992 en trad in werking op 1 januari 1991 (Belgisch Staatsblad van 11 juli 1992).
Ter illustratie van de daadwerkelijke handelswijze van de Gewesten weze in dezelfde context terloops eveneens gerefereerd aan de ordonnantie van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad van 12 november 1992 tot vaststelling van het percentage van de onroerende voorheffing voor bepaalde huisvestingsmaatschappijen van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest (Belgisch Staatsblad van 3 december 1992).
Niettegenstaande voornoemde vigerende wettelijke beschikkingen verzendt de administratie de Directe Belastingen nog steeds aanslagbiljetten inzake de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 1992 naar hoger bedoelde openbare besturen en belastingplichtigen die geen winstoogmerk nastreven.
Wat is de geachte minister van Financiën zinnens te doen tegen deze niet-opportune, nodeloze en onzes inziens onwettelijke handelswijze ?
ANTWOORD
Ik heb de eer het geachte lid te melden dat in de huidige stand van zaken de bevoegde fiscale administraties over geen enkel middel beschikken om voor iedere belastingplichtige inzake onroerende voorheffing te weten of de voorwaarden tot het verlenen van de vrijstelling voorzien bij de artikelen 12 en 253, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) zijn vervuld.
Om deze vrijstelling te kunnen genieten moet de belastingplichtige dan ook een regelmatig bezwaarschrift indienen overeenkomstig de regelen die van toepassing zijn inzake inkomstenbelastingen. Dit bezwaarschrift moet jaarlijks hernieuwd worden zolang de onroerende voorheffing wordt ingekohierd. Eens de vrijstelling erkend is, worden ingevolge een administratieve beslissing de kadastrale bescheiden derwijze aangepast dat de vrijstelling voor de volgende aanslagjaren automatisch wordt toegekend, zolang de wettelijke voorwaarden vervuld blijven.
Bron: FisconetPlus
