Parlementaire vraag nr. 126 van mevrouw Pieters van 23.11.1999
VRAAG 99/126
Vraag nr. 126 van mevrouw Pieters dd. 23.11.1999
Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr. 71, blz. 8047-8056
BTW-Revue nr. 151, blz. 471
Huur - Kluis - Beroepsgebruik - Rechtspersoon
VRAAG
Door sommige vennootschappen wordt een kluis of een banksafe gehuurd bij een financiële instelling om notariële akten, ingekochte eigen aandelen, effecten, licenties, brevetten, fabrieksgeheimen, huurcontracten of andere waardepapieren brandveilig te bewaren.
Terzake rijzen in de praktijk de volgende fiscale vragen:
1.
4.
7. Binnen welke uren en tijdstippen van de werkdag kunnen de fiscale ambtenaren dergelijke onderzoeksdaden rechtsgeldig instellen?
8.
ANTWOORD
Wat successierecht betreft
9.
1.
Ambtenaren van de directe belastingen hebben niet de mogelijkheid de belastingplichtige zijn verplichtingen manu militari te doen naleven.
4.
7. De fiscale ambtenaren kunnen in principe op eender welk tijdstip van de dag de bedoelde onderzoeksdaden stellen.
Wat de toegang tot de beroepslokalen betreft, wordt gepreciseerd dat artikel 319 van het WIB 92, bepaalt dat de toegang tot de beroepslokalen mag plaatsvinden op ieder ogenblik dat enigerlei werkzaamheid in de lokalen wordt uitgeoefend, zelfs buiten de normale werkuren. Indien het een particuliere woning of een bewoond lokaal betreft, is het recht van toegang afhankelijk van een machtiging van de rechter in de politierechtbank en kan dit recht slechts worden uitgeoefend tussen 5 uur 's morgens en 9 uur 's avonds.
8. a) en b) Het antwoord luidt bevestigend. De vragenlijst moet betrekking hebben op een in artikel 333 van het WIB 92, bedoelde periode.
10. De wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens heeft op zichzelf geen invloed op het onderzoek van de belastingtoestand van een belastingplichtige en op de in het WIB 92 voorziene bepalingen terzake.
Wat BTW betreft
2. In hoofde van de BTW-belastingplichtigen
Zoals artikel 61, § 1, van het BTW-Wetboek stelt, is eenieder gehouden de boeken en stukken, die hij overeenkomstig artikel 60 van dat wetboek moet bewaren, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegheid heeft, zonder verplaatsing, ter inzage voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan.
Ingevolge artikel 63 van het BTW-Wetboek moet eenieder die een economische activiteit uitoefent daarenboven ook aan de ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren en in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend teneinde hen in staat te stellen onder andere de boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden.
De lastgeving wordt geregeld in de artikelen 1984 tot 2010 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede voor het merendeel van de hier beoogde lastgevingen, ook in de op 21 februari 1985 grondig gewijzigde wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van het Instituut der bedrijfsrevisoren, de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, en het koninklijk besluit van 1 maart 1998 tot vaststelling van het reglement van plichtenleer der accountants. Terzake wordt gesteld dat de alhier georganiseerde discretieplicht de verplichting omvat tot geheimhouding van de gegevens die hem uitdrukkelijk of stilzwijgend in hun hoedanigheid van accountant werden toevertrouwd en van de feiten met een vertrouwelijk karakter die hij in uitoefening van zijn beroep zelf heeft vastgesteld. Verder stellen deze wettelijke voorschriften ook nog dat de accountant geen inbreuk op de tuchtvoorschriften inzake beroepsdiscretieplicht ten laste kan worden gelegd:
3 en 4. a) en b) De administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, sector BTW, antwoordt op deze vraag positief. De enige uitoefeningsvoorwaarde terzake bestaat erin dat de behandelende ambtenaren in het bezit moeten zijn van een machtiging van hun directeur-generaal.
5. Bij weigering door de belastingplichtige of zijn lastnemer de kwestieuze bankkluis te openen heeft de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, sector BTW, twee administratieve mogelijkheden:
Voor de bijzondere uitvoeringsadministraties AOIF en BBI gelden dezelfde regels.
6 et 7. Terzake verwijs ik het geachte lid naar het antwoord op vraag 2.
10. Ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens geldt voor de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, sector BTW, het beroepsgeheim overeenkomstig de artikelen 93bis en 73octies van het BTW-Wetboek.
Nopens de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens moet worden opgemerkt dat deze geen gebruik maakt van de mogelijkheden die onder andere worden geboden door artikel 13 van de richtlijn 95/46/EG van de Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. Dit maakt het voor de zo-even genoemde administratie moeilijk om strategische werkplannen op te maken vanuit een in een datawarehouse draaiend risicoanalysesysteem (het afdekken van waarderingsgrondslagen uit zulk een risicoanalysesysteem en de alzo gegenereerde output zijn in deze omstandigheid immers niet wettelijk verzekerd).
De Europese administratie en de Europese wetgever zijn nochtans overtuigde promotors van zulke strategische werkplannen.
Vraag nr. 126 van mevrouw Pieters dd. 23.11.1999
Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr. 71, blz. 8047-8056
BTW-Revue nr. 151, blz. 471
Huur - Kluis - Beroepsgebruik - Rechtspersoon
VRAAG
Door sommige vennootschappen wordt een kluis of een banksafe gehuurd bij een financiële instelling om notariële akten, ingekochte eigen aandelen, effecten, licenties, brevetten, fabrieksgeheimen, huurcontracten of andere waardepapieren brandveilig te bewaren.
Terzake rijzen in de praktijk de volgende fiscale vragen:
1.
a) Wordt die bankkluis en de bankzaal beschouwd als een "beroepslokaal van de belastingplichtige" of als een plaats waar beroepsactiviteiten ontplooid worden in de zin van artikel 315 van het WIB 92?2. Kunnen de BTW- en belastingambtenaren aan de aansprakelijke vertegenwoordigers of aan een andere gevolmachtigde bij een onaangekondigd controlebezoek ter plaatse onmiddellijk eisen dat:
b) Dient belastingplichtige hiervoor telkens de afwijking waarvan sprake in het nr. 315/16 Com.IB 92 aan te vragen bij de bevoegde administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit (AOIF) of klassieke belastingdiensten?
a) de bankkluis meteen wordt geopend;3. Kan het bestaan van een bankrekeninguittreksel, een kluishuurcontract of van enig ander concreet feit effectief rechtsgeldig aanleiding geven tot deze fiscale onderzoeksdaden in de lokalen van de financiële instelling?
b) de sleutel van de kluis wordt overhandigd aan de fiscale ambtenaren;
c) de geheime PIN-code wordt meegedeeld;
d) liggende gelden (biljetten en munten) persoonlijk worden geteld door de fiscale ambtenaren;
e) alle in de kluis bevindende stukken onmiddellijk worden gekopieerd?
4.
a) Of gelden hier niet veeleer de strikte bepalingen van het bankgeheim ingesteld bij artikel 318 van het WIB 92?5.
b) Mag mits motivering en individuele toelating van de directeur-generaal van de BTW hieromtrent een bankonderzoek worden ingesteld?
c) Mag in geval van een bezwaarschrift inzake directe belastingen het bankgeheim met betrekking tot een safe worden opgeheven?
a) Welke administratieve en/of strafrechtelijke sancties kunnen er inzake BTW en inzake directe belastingen (gelijktijdig) worden opgelegd in geval van weigering door de belastingplichtige?6. Wanneer en op welke wijze dient de vennootschap voorafgaandelijk de schriftelijke, mondelinge of stilzwijgende toelating te verlenen aan de onderzoekende BTW- en belastingambtenaren (BBI, AOIF, DB en BTW)?
b) Welke voorafgaande procedurele voorschriften moeten door de AOIF en de BBI hierbij telkens worden nageleefd op straffe van nietigheid?
7. Binnen welke uren en tijdstippen van de werkdag kunnen de fiscale ambtenaren dergelijke onderzoeksdaden rechtsgeldig instellen?
8.
a) Mag de integrale samenstelling van de inhoud van die bankkluis op een welbepaald tijdstip worden gevraagd door middel van een officiële vragenlijst 332 (cf. toepassing artikel 316 van het WIB 92)?9.
b) Zo ja, binnen welke periode, ook in geval van bezwaarschrift, vallende onder de onderzoekstermijnen waarvan sprake in artikel 333 van het WIB 92?
a) Welke wederzijdse fiscale verplichtingen hebben de vennootschap en de financiële instelling bij overlijden van één van de aandeelhouders, een aansprakelijke vertegenwoordiger (bedrijfsleider) of een andere gevolmachtigde van de betrokken rechtspersoon die een bankkluis ter beschikking heeft?10. Kan u uw algemene zienswijze en praktische instructies weergeven in het licht van de alle thans vigerende fiscale en parafiscale bepalingen en van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens?
b) Wat is hierbij de wettelijke macht en de taak van de territoriaal bevoegde ontvanger der registratie-en successierechten?
ANTWOORD
Wat successierecht betreft
9.
a) en b) In regel geldt bij het overlijden van een natuurlijke persoon dat de vennootschap waar hij aandeelhouder van is of een of andere functie in uitoefent een onderscheiden juridische identiteit vormt. De administratie dient zich aan deze regel te houden wil zij geen afbreuk doen aan de theorie van de rechtspersoonlijkheid.Wat de inkomstenbelastingen betreft
Teneinde misbruiken te voorkomen werden door de wetgever echter een aantal maatregelen getroffen. Zo wordt elke rijksinwoner die ten welke titel ook toegang heeft tot een brandkast geacht huurder te zijn wanneer de verhuring werd toegestaan aan een rechtspersoon die geen zetel van verrichtingen in België bezit (artikel 102/2, derde lid, van het Wetboek der successierechten).
Bovendien moet elke rechtspersoon die een zetel van verrichtingen in België bezit en huurder is van een brandkast die hij ten privatieve titel ter beschikking stelt van een rijksinwoner, binnen de 15 dagen bij aangetekende brief bericht geven van dit feit aan de verhuurder van de brandkast en aan de gewestelijke directeur van de registratie en domeinen binnen wiens ambtsgebied hij zijn zetel heeft (artikel 102/3, eerste lid, van het Wetboek der successierechten). De rijksinwoner die de beschikking heeft wordt geacht huurder te zijn (artikel 102/3, tweede lid, van het Wetboek der successierechten). Het niet naleven van deze verplichting wordt krachtens artikel 13, tweede lid, van het Wetboek der successierechten bestraft met een administratieve geldboete van 20.000 frank tot 400.000 frank. Gelet op het feit dat de natuurlijke persoon in bovengenoemde gevallen geacht wordt huurder te zijn, gelden bij het overlijden de bepalingen van artikel 98 van het Wetboek der successierechten. Dit betekent dat de tegoeden enkel kunnen teruggegeven worden na het opmaken van een lijst ervan die aan de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen dient bezorgd te worden en dat de administratie, in de persoon van de gewestelijke directeur van de registratie en de domeinen binnen wiens ambtsgebied de verhuurder zijn zetel heeft, vooraf van de kofferopening op de hoogte dient gesteld te worden en een vertegenwoordiger ter plekke mag sturen om bij deze kofferopening en het opmaken van de inventaris ervan aanwezig te zijn. De overtreding van deze bepaling wordt krachtens artikel 130, eerste lid, van het Wetboek der successierechten bestraft met een administratieve geldboete van 10.000 frank tot 100.000 frank.
1.
a) en b) Overeenkomstig artikel 315, § 3, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) moeten de boeken en bescheiden, aan de hand waarvan het bedrag van de belastbare inkomsten kan worden vastgesteld, behoudens wanneer zij door het gerecht in beslag genomen zijn of behoudens afwijking toegestaan door de administratie, ter beschikking van de administratie worden bewaard in het kantoor, agentschap, bijhuis of elk ander beroeps- of privé-lokaal van de belastingplichtige waar die boeken en bescheiden worden gehouden, opgesteld of toegezonden.2 en 3. Op grond van artikel 315 van het WIB 1992, is de beslatingplichtige verplicht alle in dat artikel bedoelde stukken met het oog op de vaststelling van de belastbare inkomsten voor te leggen, zelfs wanneer die zich zouden bevinden in een bankkluis. Van bedoelde stukken kan op dezelfde wijze gebruik worden gemaakt als enig ander document dat in het kader van het onderzoek van de belastingtoestand moet worden voorgelegd.
De hier bedoelde boeken en bescheiden slaan op alle boeken en bescheiden waarover de belastingplichtige beschikt en die noodzakelijk zijn om het bedrag van de belastbare inkomsten te bepalen.
Indien bepaalde van die bescheiden worden bewaard in een bankkluis dient hiervoor overeenkomstig het vermelde artikel een afwijking te worden gevraagd bij de bevoegde ambtenaar van de Administratie van de Directe Belastingen. De terzake in acht te nemen regels zijn opgenomen in de administratieve commentaar op het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (Com.IB 92), nr. 315/16.
Ambtenaren van de directe belastingen hebben niet de mogelijkheid de belastingplichtige zijn verplichtingen manu militari te doen naleven.
4.
a) De bepalingen van artikel 318, eerste lid, van het WIB 92, hebben betrekking op het onderzoek van de belastingtoestand van de financiële instelling zelf (en niet van de huurder van de kluis) en de administratie is niet gemachtigd om in hun rekeningen, boeken en documenten inlichtingen in te zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten.5.
c) Het al of niet niet bewaren van bepaalde bescheiden in een bankkluis is op zich vreemd aan de eventuele opheffing van het bankgeheim in het kader van het onderzoek van een bezwaarschrift inzake inkomstenbelastingen.
a) en b) Een inbreuk op de verplichting tot het voorleggen met het oog op het nazien ervan van alle boeken en bescheiden die noodzakelijk zijn om het bedrag van de belastbare inkomsten te bepalen, kan overeenkomstig artikel 445 van het WIB 1992, worden bestraft met een administratieve geldboete. De belastingplichtige wordt hiervan voorafgaand in kennis gesteld en kan binnen de gestelde termijn zijn opmerkingen laten gelden. Onverminderd die administratieve sanctie kan, overeenkomstig artikel 449 van het WIB 1992, eenzelfde overtreding begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, strafrechterlijk worden beteugeld. De strafvordering wordt uitgeoefend door het openbaar ministerie (artikel 46 van het WIB 92). De rol van de administratie is terzake beperkt tot de verplichting bij het parket aangifte te doen van het desbetreffende misdrijf.6. Een voorafgaande machtiging vanwege de belastingplichtige is niet nodig om onderzoekingen te verrichten.
7. De fiscale ambtenaren kunnen in principe op eender welk tijdstip van de dag de bedoelde onderzoeksdaden stellen.
Wat de toegang tot de beroepslokalen betreft, wordt gepreciseerd dat artikel 319 van het WIB 92, bepaalt dat de toegang tot de beroepslokalen mag plaatsvinden op ieder ogenblik dat enigerlei werkzaamheid in de lokalen wordt uitgeoefend, zelfs buiten de normale werkuren. Indien het een particuliere woning of een bewoond lokaal betreft, is het recht van toegang afhankelijk van een machtiging van de rechter in de politierechtbank en kan dit recht slechts worden uitgeoefend tussen 5 uur 's morgens en 9 uur 's avonds.
8. a) en b) Het antwoord luidt bevestigend. De vragenlijst moet betrekking hebben op een in artikel 333 van het WIB 92, bedoelde periode.
10. De wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens heeft op zichzelf geen invloed op het onderzoek van de belastingtoestand van een belastingplichtige en op de in het WIB 92 voorziene bepalingen terzake.
Wat BTW betreft
2. In hoofde van de BTW-belastingplichtigen
Zoals artikel 61, § 1, van het BTW-Wetboek stelt, is eenieder gehouden de boeken en stukken, die hij overeenkomstig artikel 60 van dat wetboek moet bewaren, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegheid heeft, zonder verplaatsing, ter inzage voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan.
Ingevolge artikel 63 van het BTW-Wetboek moet eenieder die een economische activiteit uitoefent daarenboven ook aan de ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren en in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend teneinde hen in staat te stellen onder andere de boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden.
1) De hier beoogde boeken en stukken worden omschreven in artikel 6, § 1, van het BTW-Wetboek. Aldaar stelt men vast dat het, enerzijds, gaat om de boeken en stukken waarvan dat wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen het houden, het opmaken of het uitreiken voorschrijven en het anderzijds en aanvullend ook gaat om de facturen of de als zodanig geldende stukken in verband met de intracommunautaire verwervingen van goederen of met de in het buitenland verrichte aankopen, de handelsboeken, de boekingsstukken, de contracten, de stukken met betrekking tot de bestelling van goederen en diensten, tot de verzending, tot de afgifte en tot de levering van goederen, de rekeninguittreksels, de betalingsstukken, alsmede de andere boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid.In hoofde van de in vertrouwen genomen derden
Dit alles bevestigt dat de door de hier beoogde ambtenaren aangezochte persoon of personen moeten aantonen dat de van he(m/n) gevraagde, zo-even genoemde boeken en stukken geen betrekking hebben op de "uitgeoefende werkzaamheid", zodat op basis van dit aangereikt bewijs ontslag kan worden verleend van de verplichting tot het voorleggen ter inzage. In casu kunnen notariële akten, ingekochte eigen aandelen, effecten, licenties, brevetten, fabrieksgeheimen, huurcontracten en andere waardepapieren worden beschouwd als andere boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid.
2) De omschrijving van de hier beoogde ruimten vindt men terug in artikel 63 van het BTW-Wetboek en aldus leest men daar dat als ruimten waar een activiteit wordt uitgeoefend moeten worden beschouwd onder meer de burelen, de fabrieken, de werkplaatsen, de opslagplaatsen, de bergplaatsen, de garages alsmede de als fabriek, werkplaats of opslagplaats gebruikte terreinen.
Daarenboven gaat dit artikel verder:
Op basis van deze aanvullend geciteerde wetteksten lijkt het mij moeilijk staande te houden, zelfs in het geval van een onaangekondigd controlebezoek, dat op het verzoek van de hier beoogde ambtenaren om de bankkluis te openen, niet onmiddellijk moet worden ingegaan (het bewaren van boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid is een onderdeel van het uitoefenen van deze werkzaamheid - economische activiteit - en het voorleggen ter inzage dient daarenboven zonder verplaatsing - die zich aldaar bevinden - te geschieden; hierdoor wordt een bankkluis, die boeken en stukken bevat die voldoen aan de voorwaarde 1, dan ook een ruimte waar een activiteit wordt uitgeoefend).
- Met hetzelfde doel mogen die ambtenaren eveneens op elk tijdstip, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die niet in het vorige lid zijn bedoeld en waar in dit wetboek bedoelde handelingen verricht of vermoedelijk worden verricht. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en uitsluitend met de machtiging van de politierechter.
- Zij mogen ook, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, alle vervoermiddelen tegenhouden en onderzoeken, met inbegrip van de containers, die gebruikt of vermoedelijk gebruikt worden om in dit wetboek bedoelde handelingen te verrichten, teneinde de vervoerde goederen, boeken en stukken te onderzoeken.
Dit moeten openen van de bankkluis houdt echter niet in dat de sleutel aan hen moet worden overhandigd of de Pincode aan deze moet worden meegedeeld. Indien zich in de kluis liggende gelden bevinden, kunnen deze wel persoonlijk door de ambtenaren worden geteld, kunnen de zich in de kluis bevindende stukken door hen worden gekopieerd en kunnen zulke stukken, tegen de afgifte van een ontvangstbewijs, in de regel zelfs door deze worden behouden.
De lastgeving wordt geregeld in de artikelen 1984 tot 2010 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede voor het merendeel van de hier beoogde lastgevingen, ook in de op 21 februari 1985 grondig gewijzigde wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van het Instituut der bedrijfsrevisoren, de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, en het koninklijk besluit van 1 maart 1998 tot vaststelling van het reglement van plichtenleer der accountants. Terzake wordt gesteld dat de alhier georganiseerde discretieplicht de verplichting omvat tot geheimhouding van de gegevens die hem uitdrukkelijk of stilzwijgend in hun hoedanigheid van accountant werden toevertrouwd en van de feiten met een vertrouwelijk karakter die hij in uitoefening van zijn beroep zelf heeft vastgesteld. Verder stellen deze wettelijke voorschriften ook nog dat de accountant geen inbreuk op de tuchtvoorschriften inzake beroepsdiscretieplicht ten laste kan worden gelegd:
- wanneer hij geroepen wordt om in rechte getuigenis af te leggen;
- wanneer de wet hem tot mededeling van gegevens verplicht;
- in de uitoefening van zijn recht van verdediging in tuchtaangelegenheden;
- wanneer hij, met het oog op de behartiging van de deontologische regelen, en na alle interne middelen bij zijn werkgever te hebben uitgeput, vertrouwelijke gegevens van zijn werkgever aan de raad meedeelt;
- wanneer hij, betreffende aangelegenheden die zijn opdrachtgever persoonlijk aanbelangen, door deze laatste uitdrukkelijk van zijn discretieplicht ontslagen werd.
Bovendien staat er in artikel 55 van het BTW-Wetboek, een artikel dat een bijzondere vorm van conventionele lastgeving organiseert, dat de aansprakelijke vertegenwoordiger in de plaats van zijn lastgever wordt gesteld ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend of van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd, door of ter uitvoering van dit wetboek.Tot slot wordt het geachte lid terzake ook nog opgemerkt dat de hier beoogde boeken en stukken, bewaard in een bankkluis, geen betrekking hebben op de uitgeoefende werkzaamheid van het bestuur van de Postcheck, een bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling. Daardoor blijven deze boeken en stukken buiten de werkingssfeer van artikel 62bis van het BTW-Wetboek met als gevolg dat de bovengenoemde ambtenaren in de hier veronderstelde opdracht kunnen handelen zonder in het bezit te zijn gesteld van een machtiging van de directeur-generaal van hun administratie.
In deze omstandigheid, van de in vertrouwen genomen derden, ziet de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, sector BTW, twee hypothesen:
1) De bankkluis, waarvan het beheer hetzij geregeld is in de bovengenoemde conventionele lastgeving, hetzij geïnterpreteerd kan worden binnen de wettelijke voorwaarden van voornoemd artikel 55, al dan niet in naam en voor rekening van de lastgever gehuurd, en dit derwijze dat de lastnemer ook instaat voor de bewaring en de voorlegging ter inzage van de hier beoogde boeken en stukken. Onder deze voorwaarden neemt de lastnemer dan de plaats in van zijn lastgever ten aanzien van de verplichtingen overeenkomstig artikel 60, 61 en 63 van het BTW-Wetboek en dit met al zijn gevolgen (zie rubriek "In hoofde van de BTW-belastingplichtigen").
2) De bankkluis, gehuurd door de lastnemer in eigen naam en voor eigen rekening. Onder deze voorwaarden wordt er aan herinnerd dat de lastgeving een dienstverrichting is die in het BTW-Wetboek staat omschreven en dat de werkingssferen van de voornoemde artikelen 60, 61 en 63 tot doel hebben de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan. Met andere woorden het verzoek van de hier beoogde ambtenaren om de kwestieuze bankkluis te openen en dit om de in dit antwoord omschreven boeken en stukken in te zien, kan onder deze voorwaarden niet worden bekritiseerd.
3 en 4. a) en b) De administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, sector BTW, antwoordt op deze vraag positief. De enige uitoefeningsvoorwaarde terzake bestaat erin dat de behandelende ambtenaren in het bezit moeten zijn van een machtiging van hun directeur-generaal.
5. Bij weigering door de belastingplichtige of zijn lastnemer de kwestieuze bankkluis te openen heeft de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, sector BTW, twee administratieve mogelijkheden:
1) Artikel 63 van het BTW-Wetboek is een recht op huiszoeking en derhalve kan deze administratie op basis van dit artikel politiediensten verzoeken de bankkluis in hun aanwezigheid open te (laten) breken;De strafrechtelijke sancties zijn vastgelegd in de artikelen 73 tot en met 74bis van het BTW-Wetboek. Daarenboven moet worden opgemerkt dat er in België geen enkele gemeenschappelijke fiscale, administratieve noch strafrechtelijke procedure bestaat. Zowel inzake BTW als inzake directe belastingen worden zulke zaken onafhankelijk van elkaar beslecht.
2) Artikel 70, § 4, van het BTW-Wetboek is een bestraffende bepaling en stelt dat de overtredingen van de artikelen 60 tot 63 onder andere met een geldboete van 1.000 frank tot 100.000 frank per overtreding worden verbeurd.
Voor de bijzondere uitvoeringsadministraties AOIF en BBI gelden dezelfde regels.
6 et 7. Terzake verwijs ik het geachte lid naar het antwoord op vraag 2.
10. Ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens geldt voor de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, sector BTW, het beroepsgeheim overeenkomstig de artikelen 93bis en 73octies van het BTW-Wetboek.
Nopens de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens moet worden opgemerkt dat deze geen gebruik maakt van de mogelijkheden die onder andere worden geboden door artikel 13 van de richtlijn 95/46/EG van de Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. Dit maakt het voor de zo-even genoemde administratie moeilijk om strategische werkplannen op te maken vanuit een in een datawarehouse draaiend risicoanalysesysteem (het afdekken van waarderingsgrondslagen uit zulk een risicoanalysesysteem en de alzo gegenereerde output zijn in deze omstandigheid immers niet wettelijk verzekerd).
De Europese administratie en de Europese wetgever zijn nochtans overtuigde promotors van zulke strategische werkplannen.
Bron: FisconetPlus
