Parlementaire vraag nr. 888 van de heer Luk Van Biesen van 24.03.2016

Parlementaire vraag nr. 888 van de heer Luk Van Biesen dd. 24.03.2016

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2015-2016, QRVA 54/072 dd. 09.05.2016, blz. 248

Afzonderlijke aanslag inzake niet-verantwoorde kosten en verdoken meerwinsten

VRAAG (van de heer Van Biesen)

Inzake vennootschapsbelasting werden door de programmawet van 19 december 2014 (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2014) nieuwe bepalingen ingevoerd aangaande de bijzondere aanslag op niet-verantwoorde kosten en verdoken meerwinsten. Luidens artikel 219, laatste lid Wetboek Inkomstenbelastingen (WIB) wordt de aanslag in hoofde van de belastingplichtige niet toegepast indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen twee jaar en zes maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar. Luidens artikel 354, eerste lid WIB bedraagt de aanslagtermijn bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van aangifte, of wanneer de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een tijdig en correct ingediend aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting is verschuldigd. Indien een vennootschap haar boekhouding per kalenderjaar voert zal bijvoorbeeld de aanslagtermijn inzake het boekjaar dat afsluit op 31 december 2015 (aanslagjaar 2016) lopen tot 31 december 2018. De identificatie waarvan sprake in artikel 219, laatste lid WIB zal dus tegen 30 juni 2018 dienen plaats te vinden. Wat betreft een vennootschap die haar boekhouding niet per kalenderjaar voert, wordt luidens artikel 354, 2e lid WIB de termijn van drie jaar verlengd met eenzelfde tijdperk als dat welke is verlopen tussen 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd en de datum van afsluiting van het boekjaar in de loop van hetzelfde jaar. Indien een vennootschap haar boekhouding bijvoorbeeld op 30 juni 2016 (aanslagjaar 2016) afsluit, zal de aanslagtermijn inzake dat boekjaar lopen tot 30 juni 2019. De identificatie waarvan sprake in artikel 219, laatste lid WIB zal nog steeds binnen twee jaar en zes maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar dienen plaats te vinden, dus tegen 30 juni 2018. Er is dus een ongelijke behandeling van belastingplichtigen ontstaan naargelang de datum van afsluiting van hun boekjaar. Om dit te verhelpen zou de termijn als voorzien in artikel 219, laatste lid WIB eveneens dienen verlengd te worden "met eenzelfde tijdperk als dat welke is verlopen tussen 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd en de datum van afsluiting van het boekjaar in de loop van hetzelfde jaar". Kan u deze redenering bijtreden en desgevallend een wetgevend initiatief nemen om de verschillende behandeling te corrigeren?

ANTWOORD (van de Minister van Financiën)

In de memorie van toelichting bij de Programmawet van 19 december 2014 wordt uitgelegd dat de hervorming van deze afzonderlijke aanslag tot gevolg heeft dat deze aanslag voortaan nog uitsluitend een "vergoedend" karakter zal hebben voor het verlies aan Belgische inkomstenbelastingen. Vanuit deze redenering is het inderdaad niet meer wenselijk om deze aanslag toe te passen indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze wordt geïdentificeerd binnen twee jaar en zes maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar. In dergelijk geval heeft de belastingadministratie, indien de verkrijger een rijksinwoner is, in toepassing van artikel 354 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, nog ten minste zes maand de tijd om een aanvullende aanslag te vestigen ten name van die verkrijger. Deze in artikel 354, WIB 92 bedoelde termijn waarbinnen de belastingadministratie de aanvullende aanslag bij de verkrijger kan vestigen is derhalve niet afhankelijk van de termijnen die van toepassing zijn op de vennootschap die de kosten heeft gemaakt of het voordeel heeft toegekend, maar wel van de termijnen die van toepassing zijn voor de belasting van het voordeel in hoofde van de verkrijger. Indien het door u beschreven voorstel zou worden gevolgd, kunnen er situaties ontstaan waarbij er geen afzonderlijke aanslag gevestigd kan worden, en waarbij de rijksinwoner die het voordeel heeft verkregen niet meer kan worden belast. Gelet op het vergoedend karakter van de afzonderlijke aanslag, waarbij het voor de belastingadministratie mogelijk moet zijn om ofwel het voordeel te belasten bij de verkrijger of ofwel het voordeel via de afzonderlijke aanslag te belasten bij de vennootschap die het voordeel heeft toegekend, is het dus verantwoord dat er een verschil in behandeling is tussen een vennootschap die haar boekhouding per kalenderjaar voert en de vennootschap die haar boekhouding niet per kalenderjaar voert.