Parlementaire vraag nr. 1100 van de heer Chevalier van 24.10.1997

VRAAG 97/1100

Vraag nr. 1100 van de heer Chevalier dd. 24.10.1997


Bull. nr. 788, pag. 2751

BTW-Revue nr. 140, blz. 30

Vr. en Antw., Kamer, 1997-1998, nr. 133, blz. 18355-18359

Forfaitaire taxatie.

VRAAG

In het taxatiestelsel op basis van forfaitaire grondslagen wordt de omzet van de belastingplichtige bepaald door de aankopen te vermenigvuldigen met een coëfficiënt, vastgesteld in samenspraak tussen de fiscale commissie en de beroepsvereniging waaronder belastingplichtige ressorteert.

Inherent aan dit systeem is, dat bepaalde kosten a fortiori worden geweerd en andere kosten daarentegen begrepen zijn in de betrekkelijke coëfficiënt.

In het gewoon boekhoudstelsel beantwoordt de vaststelling van het inkomen aan de economische realiteit, volgens de aloude formule: verkopen min aankopen is brutowinst. Trekt men hiervan algemene kosten en afschrijvingen af dan bekomt men de nettobedrijfswinst van de onderneming.

Er zijn nog vele zelfstandigen, die wel minutieus hun dagontvangsten bijhouden en op schrift stellen, maar niet beschikken over een kasregister, waarmee de gedetailleerde verkopen worden vastgelegd, hetgeen - althans wat de administratie der belastingen betreft - de ultieme bewijslevering van hun inkomsten betekent.

Berekeningen en vergelijkingen van specialisten leren mij, dat tussen het werkelijke inkomen (afgeleid van een gedetailleerde boekhouding) en het resultaat (verkregen middels forfaitaire berekening, volgens grootte van de omzet) verschillen optreden, gaande van 11 tot 23 %. Deze verschillen zijn uitermate bemerkbaar vanaf een omzet van 3 miljoen frank.

1. Zo de bewijsvoering omtrent de inkomsten van een onderneming middels kassastrook of tickets ontbreekt, is dan de inschrijving in het ontvangstendagboek afdoende, op voorwaarde dat tussen geboekte aankopen, omzet en behaald bedrijfsresultaat een realistische verhouding bestaat met inachtneming van aan de bedrijfstak verbonden algemene kosten?

2. In hoeverre is een controlerende ambtenaar gemachtigd, de vaststelling van omzet en bedrijfswinst te formuleren aan de hand van de coëfficiënt uit het betreffende forfait, wetend, dat de procentuele afwijking der berekeningen, de economische realiteit buiten beschouwing stelt?

3. Welke normen dienen in zulke aangelegenheid gehanteerd, teneinde een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te bekomen die de economische realiteit evenaart, ermee rekening houdend dat de theorie van een systeem duidelijk verschilt met de werkelijkheid?

4.



a)Is het niet wenselijk dat in het gemeenschappelijk belang, én voor de Belgische Staat, én voor de belastingplichtige, een uniforme berekeningsnorm wordt vastgelegd?
b)Tot welke inzichten komt u in deze materie na raadpleging van uw administratie?
ANTWOORD

Vooreerst dient het onderscheid benadrukt te worden tussen de forfaitaire grondslagen van aanslag zoals bepaald in artikel 342, § 1, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en de forfaitaire BTW-regeling, bepaald bij artikel 56, § 1, van het BTW-wetboek.

Inzake inkomstenbelastingen vormen de forfaitaire grondslagen van aanslag een bewijsmiddel om de winst vast te stellen dat slechts kan worden aangewend bij gebrek aan bewijskrachtige bescheiden. Die forfaitaire grondslagen kunnen bijgevolg niet worden toegepast om belastbare inkomsten vast te stellen van belastingplichtigen die bewijskrachtige boeken en bescheiden houden.

Inzake BTW vormt de forfaitaire regeling geen bewijsmiddel maar een vereenvoudigde regeling voor belastingheffing waarvoor elke belastingplichtige die aan de voorwaarden voldoet kan opteren. De forfaitaire grondslagen van aanslag bedoeld in artikel 56, § 1, van het BTW-wetboek moeten het mogelijk maken de belastbare omzet te bepalen van de belastingplichtigen die geen gedetailleerde boekhouding houden en die normaal geen facturen moeten uitreiken, zonder dat de betrokkenen hun ontvangsten van dag tot dag moeten optekenen.

Alle forfaitaire grondslagen van aanslag worden vastgesteld rekening houdend met de kenmerken eigen aan elk beroep. In de meeste gevallen worden de forfaitaire regelingen voor de handelaars, zowel inzake BTW als inzake inkomstenbelastingen, derwijze opgebouwd dat het omzetcijfer of de winst wordt bekomen door het bedrag van de aankopen te vermenigvuldigen met een voor iedere koopwarengroep vastgestelde coëfficiënt. Zoals voor alle handelaars is de aankoopfactuur van primordiaal belang en bestaat er een rechtstreeks verband tussen de input (hoeveelheid verwerkte of verkochte goederen) en de output (omzet of winst).

Inzake inkomstenbelastingen worden de forfaitaire grondslagen van aanslag in overleg niet de betrokken beroepsgroeperingen vastgesteld en inzake BTW na ze te hebben geraadpleegd. De beroepsgroeperingen moeten gedetailleerde en becijferde voorstellen indienen. Van hun kant winnen de betrokken fiscale administraties alle gegevens in die nodig zijn om de gedurende het beschouwde jaar verwezenlijkte omzet of winst te bepalen.

Op grond van al die elementen en gegevens worden omtrent de samenstellende bestanddelen van de desbetreffende forfaitaire regeling onderhandelingen gevoerd met de betrokken bedrijfsgroeperingen, die in de regel leiden tot het vaststellen van de forfaitaire grondslagen van aanslag, welke laatste trouwens nauw aansluiten bij de economische realiteit.

Wat het vaststellen van de omzet of winst aan de hand van voornoemde forfaitaire grondslagen van aanslag betreft dient evenwel volgend onderscheid te worden gemaakt:



I.Inzake belasting over de toegevoegde waarde
De belastingplichtige onderworpen aan de normale regeling van de belasting moet, in principe, belast worden op zijn werkelijke ontvangsten. Deze zijn het resultaat van het geheel van elementen eigen aan de uitgeoefende handelswerkzaamheid en aan de door de belastingplichtige gevolgde handelspraktijk: verscheidenheid van de verkochte producten, vrije vaststelling van de winstmarges, verkopen tegen verminderde prijzen, opruimingen en uitverkoop, een vlugge of minder vlugge vervanging van de voorraad, enz.

Krachtens artikel 14, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde moeten de belastingplichtigen een aan de omvang van hun activiteiten aangepaste boekhouding voeren om de belasting over de toegevoegde waarde te kunnen toepassen en controleren.

De verkopen in het klein waarvoor gebruik wordt gemaakt van de ontheffing van de factureringsplicht waarin artikel 1, § 2, van voormeld besluit voorziet, moeten worden ingeschreven in een dagboek van ontvangsten. De inschrijvingen moeten gesteund zijn op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn en waarvan, naargelang het geval, een origineel exemplaar of een dubbel dient te worden bewaard (artikel 14, § 2, 3°, en artikel 15, § 2, eerste lid, en § 4, van voormeld besluit).

De vermeldingen op de verantwoordingsstukken en het systeem en de middelen waarmee die stukken worden gegenereerd moeten minstens toelaten de BTW op het juiste bedrag van de detailverkopen correct toe te passen, en die toepassing te verantwoorden en te controleren.

De vereisten van de controle hebben, spijts alles, tot gevolg dat forfaitaire regularisatiemethodes moeten worden aangewend in de mate dat de door de belastingplichtige gehouden boekhouding niet aan de vereisten voldoet en alleszins indien gebreken worden vastgesteld betreffende haar inhoud. Die werkwijze is gesteund op de overweging dat, volgens de normale gang van zaken en behalve tegenbewijs door de belastingplichtige geleverd, bedoelde belastingplichtige zijn handel uitbaat volgens de normen die normaal in de sector waartoe hij behoort, worden aangenomen. Daarom is de controlerende ambtenaar er in bepaalde gevallen toe gedwongen, nadat hij de forfaitaire normen heeft getoetst aan de werkelijke toestand van de onderneming, bij de belastingplichtige onderworpen aan de normale regeling grondslagen van aanslag toe te passen die gesteund zijn op het nationaal forfait.



II.Inzake inkomstenbelastingen
Zoals reeds in het tweede lid van het antwoord is gesteld, laten de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) toe dat bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens de winst wordt vastgesteld aan de hand van forfaitaire grondslagen van aanslag.

Vooraleer de forfaitaire grondslagen van aanslag toe te passen, moet dus eerst worden nagegaan of er geen bewijskrachtige gegevens bestaan. Die bewijskrachtige gegevens kunnen bestaan uit een door de belastingplichtige gevoerde boekhouding.

Er wordt opgemerkt dat het WIB 92 geen specifieke verplichtingen bevat betreffende de door handelaars bij te houden boekhouding, noch van de wijze waarop dagontvangsten moeten worden bijgehouden. Elke boekhouding is aanvaardbaar voor zover:

  • de voorgelegde boeken en bescheiden een samenhangend geheel vormen aan de hand waarvan de belastbare inkomsten nauwkeurig kunnen worden bepaald;
  • alle geboekte bedragen door bewijsstukken zijn gestaafd;
  • alle geboekte cijfers met de werkelijkheid overeenstemmen.


Evenwel voldoet een boekhouding niet uit zichzelf aan de vermelde voorwaarden. Alleen de verificatie van de boekhouding kan de bewijskracht ervan aantonen.

Wanneer de belastingplichtige meent niet te beschikken over een bewijskrachtige boekhouding of wanneer de administratie na verificatie vaststelt dat er geen bewijskrachtige boekhouding aanwezig is, kan het belastbaar inkomen worden bepaald aan de hand van de forfaitaire grondslagen van aanslag. In een dergelijk geval moet evenwel de toepassing van het geldende forfaitaire stelsel in zijn geheel worden aanvaard.

De belastingplichtige die meent dat dit stelsel in zijn geval niet overeenstemt met de werkelijkheid, beschikt tenslotte over de mogelijkheid om, onder controle van de administratie, het bedrag vast te stellen en aan te geven van de door hem werkelijk behaalde winst.