Parlementaire vraag nr. 259 van de heer Christian Leysen van 06.03.2020

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2019-2020, QRVA 55/016, d.d. 20.04.2020, blz. 106

Emigratie van een vennootschap. - Vrijgestelde waardeverminderingen en voorzieningen

VRAAG

Luidens artikel 210, §1, 4° WIB vindt er bij het overbrengen van de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer naar het buitenland, in principe een fictieve vereffening plaats waarbij er belastingheffing conform artikelen 208 en 209 WIB optreedt.

Artikel 214bis WIB voorziet hierop een uitzondering wanneer het overbrengen gebeurt door een binnenlandse vennootschap naar een andere lidstaat van de Europese Unie.

De vrijstelling van artikel 214bis WIB is beperkt tot:

- de bestanddelen die blijvend worden aangewend binnen een in artikel 229, §1 WIB bedoelde Belgische inrichting waarover de vennootschap in België, al dan niet ten gevolge van deze verrichting, beschikt, en die bijdragen tot de totstandkoming van de resultaten van deze inrichting die in toepassing van artikel 233 WIB in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de belastinggrondslag;

- in de mate dat de vrijgestelde reserves vóór deze overbrenging, die niet verbonden zijn aan een buitenlandse inrichting, als dusdanig teruggevonden worden binnen het eigen vermogen van de Belgische inrichting van deze vennootschap.

De verdere behandeling in de belasting der niet-inwoners van de vrijgestelde reserves, die behouden blijven in de Belgische inrichting, is opgenomen in artikel 229, §4, 5° en 10e lid WIB.

Inzake het laatste onderdeel van de vrijstelling voorzien in artikel 214bis WIB, rijst de vraag naar de fiscaal vrijgestelde waardeverminderingen en voorzieningen, welke de binnenlandse vennootschap voor de overbrenging bezat én die behouden blijven binnen de Belgische inrichting die na de overbrenging blijft bestaan. Mag men vanuit fiscaal oogpunt aannemen dat deze ook tot het eigen vermogen van de Belgische inrichting behoren, en dit op basis van de definitie opgenomen in artikel 229, §4, 1e lid WIB.

Artikel 229, §4, 1e lid definieert dat eigen vermogen van een Belgische inrichting blijven bestaan.

Kunt u bevestigen dat op basis van deze artikelen de voorheen fiscaal vrijgestelde waardeverminderingen en voorzieningen, welke na de overbrenging van de zetel door een binnenlandse vennootschap naar een andere lidstaat van de Europese Unie behouden blijven binnen een Belgische inrichting, niet belastbaar worden door deze overbrenging?

ANTWOORD

Artikel 214bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), voorziet dat de bestanddelen die blijvend worden aangewend door een Belgische inrichting van de vennootschap die haar zetel vanuit België verplaatst naar een andere lidstaat van de Europese Unie, niet worden belast in de mate dat de vrijgestelde reserves van die vennootschap als dusdanig teruggevonden worden in het eigen vermogen van die inrichting.

Ter zake verduidelijkt artikel 229, §4, eerste lid, WIB 92, dat het eigen vermogen van een Belgische inrichting is samengesteld uit de vrijgestelde reserves, de belaste reserves en de door de buitenlandse vennootschap aan de inrichting ter beschikking gestelde kapitaalsdotatie.

Daarnaast voorziet artikel 229, §4, vijfde en tiende lid, WIB 92, dat bepaalde fiscale kenmerken (zoals de investeringsaftrek of de aftrek voor risicokapitaal) behouden blijven in het geval van een zetelverplaatsing in de mate dat de bestanddelen waarop ze betrekking hebben, blijvend aangewend worden binnen een Belgische inrichting.

In overeenstemming met de Richtlijn 90/434/EEG, die werd opgeheven en vervangen door de Richtlijn 2009/133/ EG van de Raad van 19 oktober 2009, voeren de voormelde bepalingen een stelsel van fiscale neutraliteit in voor de bestanddelen die en het netto vermogen dat in een Belgische inrichting wordt behouden, met overneming van de fiscale kenmerken die verbonden zijn aan die bestanddelen en van de structuur van het eigen vermogen zoals die voorheen binnen de vennootschap aanwezig was. Overigens wordt eraan herinnerd dat die laatste richtlijn uitdrukkelijk voorziet dat in het geval van een zetelverplaatsing, de vrijgestelde voorzieningen en reserves moeten kunnen worden overgenomen met dezelfde vrijstelling door een inrichting die is gevestigd in de staat van waaruit de zetel is verplaatst.

Gelet op wat voorafgaat, kan ik bevestigen dat in het geval van een zetelverplaatsing zoals bedoeld in de artikelen 214bis en 229, §4, tiende lid, WIB 92, de voorzieningen en de waardeverminderingen naar aanleiding van die verrichting niet worden belast bij de Belgische inrichting van de vennootschap waarvan de zetel werd verplaatst, indien die voorzieningen en waardeverminderingen onder dezelfde voorwaarden in aanmerking blijven komen voor de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 48, WIB 92, en in de mate dat ze behouden blijven in die inrichting. Dat betekent dat de activa of de verplichtingen die aan de oorsprong liggen van die waardeverminderingen en voorzieningen aan de inrichting worden toegewezen.