Parlementaire vraag nr. 349 van de heer Steven Matheï van 11.05.2020
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2019-2020, QRVA 55/021 d.d. 18.06.2020, blz. 137
Fiscale consolidatie - Systeem groepsbijdragen
VRAAG (van de heer Matheï)
Vanaf aanslagjaar 2020 treedt de groepsbijdrage-regeling in werking. Groepsbijdragen zijn uitsluitend mogelijk tussen verbonden vennootschappen. Dit is het geval voor (i) Belgische moeder- en dochtervennootschappen met een rechtstreekse deelneming van minstens 90 % en (ii) tussen Belgische zustervennootschappen met een gemeenschappelijke moedervennootschap die is gevestigd in de Europese Economische Ruimte (EER) en die een rechtstreekse deelneming van minstens 90 % in beide zusters aanhoudt. Veronderstel dat een Amerikaanse moedervennootschap een rechtstreekse deelneming van minstens 90 % aanhoudt in twee Belgische groepsvennootschappen. Op basis van de wet kunnen deze twee Belgische zustervennootschappen onderling geen groepsbijdragen verrichten. Artikel 23, § 5 van het dubbelbelastingverdrag tussen België en de Verenigde Staten bepaalt evenwel het volgende: "ondernemingen van een overeenkomst sluitende staat, waarvan het kapitaal geheel of ten dele [...] in het bezit is van, of wordt beheerst door één of meer inwoners van de andere overeenkomst sluitende staat, worden in de eerstbedoelde staat niet aan enige belastingheffing of daarmee verband houdende verplichting onderworpen die zwaarder is dan de belastingheffing en daarmee verband houdende verplichtingen waaraan andere, soortgelijke ondernemingen van de eerstbedoelde staat zijn of kunnen worden onderworpen". Het weigeren van de toepassing van artikel 205/5 WIB92in hoofde van de twee voornoemde Belgische zusters zou in die zin een discriminatie zijn die haar oorsprong vindt in het loutere feit dat de zustervennootschappen in handen zijn van buitenlandse aandeelhouders, wat een toestand isdie artikel 23, § 5 van het voormelde verdrag wil remediëren.
1. Kunt u bevestigen dat de voormelde Belgische zustervennootschappen onderling groepsbijdragen kunnen verrichten rekening houdend met de non-discriminatieclausule zoals opgenomen in artikel 23, § 5 van het dubbel belastingverdrag België-VS?
2. Kunt u bevestigen dat de vergoeding die de verstrekker van een groepsbijdrage verschuldigd is aan de ontvanger van de groepsbijdrage buiten het toepassingsgebied van btw valt?
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
De door u aangehaalde non-discriminatiebepaling in het dubbelbelastingverdrag afgesloten tussen België en de Verenigde Staten van Amerika komt overeen met de non-discriminatiebepaling in zowel het modelverdrag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling als in het Belgische standaardmodel. Op grond van deze bepaling mag er voor de dochtervennootschappen gevestigd in een verdragsstaat geen nadeel ontstaan, louter omwille van het feit dat de moeder een buitenlandse vennootschap is. Dit gegeven was reeds gekend bij de totstandkoming van de hervorming van de vennootschapsbelasting. In de context van het dubbelbelastingverdrag tussen België en de Verenigde Staten van Amerika zal deze bepaling dus verhinderen dat Belgische dochtervennootschappen van een Amerikaanse moeder een fiscaal nadeel zouden ondervinden ten overstaan van Belgische dochtervennootschappen met een Belgische moeder. Meer algemeen kan dus gesteld worden dat de primauteit van de non-discriminatiebepaling in het dubbelbelastingverdrag ertoe leidt dat de in u geschetste situatie de Belgische dochtervennootschappen kunnen genieten van de regeling van de fiscale consolidatie. De btw-gevolgen van de groepsbijdrage werden door mijn administratie uitvoerig onderzocht. Het Btw-wetboek bepaalt dat een transactie enkel binnen de werkingssfeer van de btw valt in de mate dat er een tegenprestatie wordt verricht. Er moet bovendien een direct verband bestaan tussen de gepresteerde dienst en de tegenprestatie. De vergoeding voor het bedrag van de door de overdracht genoten belastingbesparing die door de verstrekker van de groepsbijdrage aan de ontvanger wordt betaald, vloeit uitsluitend voort uit een wettelijke bepaling waarbij er een onvoldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenwaarde. De vergoeding zelf werd louter wettelijk bepaald als zijnde de genoten belastingbesparing bij de winstgevende vennootschap en ondergaat een bijzonder regime inzake directe belastingen en dat met het oog op het verzekeren van een patrimoniaal evenwicht. De relatie tussen de wettelijk bepaalde vergoeding en de overdracht van de groepsbijdrage volgt dus in essentie enkel een interne logica eigen aan de bijzondere regeling inzake directe belasting zodat de betrokken handeling niet als een dienst onder bezwarende titel in de zin van de btw-wetgeving en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt beschouwd.
