Parlementaire vraag nr. 254 van de heer Christian Leysen van 06.03.2020

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2019-2020, QRVA 55/016, d.d. 20.04.2020, blz. 96

Fiscale consolidatie en interestaftrekbeperking - Vergoeding

VRAAG

Vanaf aanslagjaar 2020 (boekjaren die starten op of na 1 januari 2019) treedt de groepsbijdrage-regeling (artikel 205/5 WIB 92) in werking. De belastingplichtige die een groepsbijdrage toekent (A), moet een vergoeding betalen aan de belastingplichtige die de groepsbijdrage ontvangt (B). Deze vergoeding is gelijk aan de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners die verschuldigd zou zijn in dat aanslagjaar (in hoofde van A) indien de groepsbijdrage niet in mindering was gebracht van de winst van het belastbaar tijdperk (artikel 205/5, §3, lid 4 WIB 92).

Eveneens treedt de nieuwe interestaftrekbeperking van artikel 198/1 WIB 92 in werking vanaf het aanslagjaar 2020. De overdracht van aftrekcapaciteit kan worden vergoed door de ontvangende Belgische groepsentiteit. Deze vergoeding is gelijk aan de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners die door één van de partijen verschuldigd was geweest indien geen overdracht zou hebben plaatsgevonden (artikel 198/1, §4, lid 5 WIB 92). In tegenstelling tot bij de groepsbijdrage-regeling is er geen verplichting om een dergelijke vergoeding toe te kennen.

1. Kunt u bevestigen dat de vergoeding (voor toepassing van zowel artikel 205/5 en 198/1 WIB 92) buiten het toepassingsgebied valt van btw?

2. In tegenstelling tot artikel 205/5, §3, lid 4 WIB 92 bevat het artikel 198/1, §4, lid 5 WIB 92 geen verwijzing naar het belastbaar tijdperk waarin de overdracht plaatsvond. Kan er eveneens een vergoeding worden betaald (in uitvoering van artikel 198/1, §5, lid 4 WIB 92) wanneer er geen effectieve belastingheffing in dat belastbaar tijdperk plaatsvindt bij de ontvanger (bijv. wegens de beschikbaarheid van overgedragen fiscale verliezen waarmee het niet aftrekbare financieringskosten surplus kan worden gecompenseerd)?

3. Moet artikel 198/1, §5, lid 4 WIB 92 zo worden begrepen dat de vergoeding gelijk is aan het eventuele fiscale nadeel in hoofde van de overdrager als gevolg van de overdracht van aftrekcapaciteit?

ANTWOORD

Uit de gezamenlijke lezing van de artikelen 2 en 4 van het Btw-wetboek volgt dat een handeling enkel binnen de werkingssfeer van de btw valt in de mate dat ze onder bezwarende titel wordt verricht door een als zodanig handelend belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit.

Hoewel het Hof van Justitie in beginsel een zeer ruime draagwijdte aan de werkingssfeer van de btw toekent, heeft het Hof ook gepreciseerd dat het enkel verwerven en het enkel houden van aandelen niet is te beschouwen als een economische activiteit in de zin van de btw-richtlijn, die aan de betrokkene de hoedanigheid van belastingplichtige verleent. De financiële deelneming in een onderneming als zodanig is niet aan te merken als de exploitatie van een zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, omdat het eventuele dividend dat de opbrengst is van deze deelneming, voortspruit uit de loutere eigendom van het goed.

Bovendien kan een handeling enkel binnen de werkingssfeer van de btw vallen in de mate dat er een tegenprestatie wordt verricht waarbij een direct verband moet bestaan tussen de gepresteerde dienst en de tegenprestatie.

Dit impliceert dat het verrichten van diensten in ruil voor een tegenprestatie enkel voorhanden is, en bijgevolg btw belastbaar, als er een juridische relatie bestaat tussen de dienstverrichter en de ontvanger van de dienst, op grond waarvan er daadwerkelijk wederzijdse prestaties zijn. Dit veronderstelt ook dat de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst.

In dit kader wordt tevens verwezen naar het antwoord op de parlementaire vraag nr. 517 van de heer volksvertegenwoordiger Michel van 22 juli 1996 waarin wordt gesteld dat sommen gestort tussen ondernemingen van dezelfde groep die louter een financiële steun vertegenwoordigen en geen tegenprestatie vormen van een levering van goederen of dienstverrichting niet aan de btw zijn onderworpen.

De vergoeding die wordt betaald in het kader van de regeling van de groepsbijdrage of de interestaftrekbeperking, vloeit uitsluitend voort uit een wettelijke bepaling waarbij er onvoldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenwaarde. De vergoeding zelf ondergaat een bijzonder regime inzake directe belastingen.

De relatie tussen de wettelijk bepaalde vergoeding en de overdracht van de groepsbijdrage of de overdracht van een grensbedrag zoals bedoeld in de artikelen 205/5 en 198/1, WIB 92, volgt dus in essentie enkel een interne logica eigen aan de bijzondere regeling inzake directe belasting zodat de betrokken handeling niet als een dienst onder bezwarende titel in de zin van de btw-wetgeving en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan worden beschouwd.

De regeling van de interestaftrekbeperking voorziet dat de belastingplichtige, die deel uitmaakt van een groep van vennootschappen, voor de overdracht van zijn niet gebruikte grensbedrag, een interest aftrekovereenkomst kan sluiten met een andere binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting die tijdens het hele belastbare tijdperk deel heeft uitgemaakt van die groep en die niet is uitgesloten van de toepassing van de bedoelde regeling.

In die overeenkomst kunnen de partijen facultatief voorzien in de betaling van een vergoeding die gelijk is aan de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners/vennootschappen die door de ontvangende vennootschap verschuldigd was geweest indien geen overdracht zou hebben plaatsgevonden.

Die vergoeding is bijgevolg maximaal gelijk aan de belasting die normaal op het overgedragen bedrag drukt.

In tegenstelling tot de regeling inzake de aftrek van de groepsbijdrage is het niet aftrekbare gedeelte van het financieringskosten surplus overdraagbaar. De vergelijking die door u wordt gemaakt met de regeling inzake de aftrek van de groepsbijdrage is dan ook niet volledig terecht. Wanneer de partijen in de interest aftrekovereenkomst de betaling van een vergoeding voorzien, is die vergoeding niet verschuldigd wanneer in het betrokken belastbare tijdperk geen vennootschapsbelasting of belasting van niet inwoners/vennootschappen verschuldigd is door de ontvangende vennootschap (bijv. door fiscale verliezen).

Er kan niet worden gesteld dat die vergoeding gelijk is aan het eventuele fiscale nadeel bij de overdragende vennootschap als gevolg van de overdracht van het overeengekomen bedrag.